Terug naar de bron

Opvolgende asielverzoeken en documenten: de objectiviteit van de bron en de objectiviteit van de informatie.

Als een asielzoeker bij een opvolgende asielaanvraag stukken, zoals brieven, documenten van overheidsinstanties en krantenartikelen, overlegt, zal de rechter moeten beoordelen of die stukken zelf, alsook de informatie die daarin is vervat, afkomstig is uit objectieve bron.[1] Er kan sprake zijn een van origineel en authentiek proces-verbaal van politie, maar als in dat proces-verbaal verklaringen staan die zijn opgetekend uit de mond van de vreemdeling zelf of diens familieleden of vrienden, dan is de informatie niet afkomstig uit objectieve bron.

Een kanttekening is wel op zijn plaats. Bij herhaalde asielaanvragen kan de rechter redeneren dat een onderzoek naar de objectiviteit van een bron niet meer hoeft te worden gedaan als blijkt dat niet aannemelijk is gemaakt waarom een document niet eerder is overgelegd. Een document is immers al om die reden geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, zo volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling.[2] Niettemin zou ik in het kader van het bieden van effectieve rechtsbescherming en de eveneens door de rechter te verrichten Bahaddar-toets ook in die situaties nog willen pleiten voor zowel een beoordeling – voor zover mogelijk – van de vraag of een stuk afkomstig is uit objectief verifieerbare bron en objectieve informatie bevat, als voor een vergelijking van de inhoud van dat stuk met de verklaringen die de asielzoeker tijdens interviews heeft afgelegd.

De vraag naar de objectiviteit van de bron en de objectiviteit van de daarin vermelde informatie komt echter eerst na een aantal te nemen stappen aan de orde. Deze stappen, die hieronder kort zullen worden besproken, zien op asielzaken en niet op zogeheten Dublinzaken. In laatstgenoemde zaken hoeven asielzoekers bijvoorbeeld niet met objectieve informatie aannemelijk te maken dat ze een bepaalde lidstaat zijn uitgereisd. Op grond van de Uitvoeringsovereenkomst kan dit ook met eigen verklaringen en indirecte bewijzen, zoals loonstroken en verklaringen van vrienden, aannemelijk worden gemaakt.[3]

Stappen
1. Is sprake van een origineel document?
De rechter dient in de eerste plaats te bezien of de asielzoeker een origineel document heeft overgelegd. Als een document slechts in kopie is ingebracht kan de authenticiteit van het stuk, en daarmee ook de vraag of het afkomstig is uit objectieve bron, niet worden onderzocht.[4] In de meeste gevallen houdt het dan op voor de asielzoeker, tenzij door de rechter op betrekkelijk eenvoudige wijze kan worden geverifieerd of sprake is van een kopie van origineel document. Dat zou kunnen door bij de instantie die het originele document zou hebben uitgegeven nadere informatie in te winnen. Vergelijk in die zin de zaak Singh tegen België.[5]

2. Als sprake is van een origineel document, is voorts de vraag of het document ook echt (authentiek) is.

Als de asielzoeker een origineel document inbrengt dat door de KMar of Bureau Documenten (waarschijnlijk) niet authentiek (lees: vervalst) wordt bevonden, dan is bij voorbaat geen sprake van een nieuw feit of veranderde omstandigheid. De vreemdeling zal dan in de bestuurlijke fase of in de beroepsfase door middel van een contra-expertise moeten aantonen dat het stuk wel authentiek is en dient hiertoe door het bestuursorgaan in de gelegenheid te worden gesteld.[6]

3. Eerst als sprake is van een origineel en authentiek document, is aan de orde de vraag of dit document afkomstig is uit objectieve bron en objectieve informatie bevat. In dit kader dient bekeken te worden wie het stuk heeft opgesteld én van wie de informatie afkomstig is, dan wel wat de aard is van de informatie die het stuk bevat. De objectiviteit van de bron en de objectiviteit van de informatie zijn namelijk twee van elkaar te onderscheiden grootheden.

Er kunnen zich vier situaties voordoen.

a. Het stuk is niet afkomstig uit objectieve bron en daarmee de daarin vervatte informatie ook niet.

Als een stuk is opgesteld door familie, vrienden of kennissen van de asielzoeker, dan is het niet afkomstig van een ten opzichte van hem objectief verifieerbare bron en zal de informatie in dat stuk doorgaans evenmin afkomstig zijn uit objectieve bron.[7] Denk aan een brief van een moeder die aan haar zoon, die hier te lande asiel heeft aangevraagd, schrijft dat de autoriteiten na zijn vertrek aan de deur zijn geweest en op zoek zijn naar hem. Niet valt uit te sluiten dat zij dit heeft geschreven om zo de zaak van haar zoon sterker te maken.

b. Het stuk is niet afkomstig uit objectieve bron, maar de informatie wel.

Dat een document niet afkomstig is van een objectieve bron, wil niet altijd zeggen dat de informatie in het stuk dan ook niet meer afkomstig kan zijn uit objectieve bron. Zo deed zich een zaak voor waarin de vreemdeling een brief inbracht van zijn advocaat. Die brief bevatte informatie over een gestelde wijziging van het Turkse Wetboek van Strafrecht per
1 juni 2005, waardoor verdachten voor strafvermindering in aanmerking kunnen komen indien ze spijt betuigen en belastende verklaringen over medeverdachten afleggen. De Afdeling oordeelde dat de brief weliswaar niet afkomstig is uit objectieve bron, maar dat deze brief wel objectieve informatie bevat van na het besluit uit de eerdere procedure.[8]

Verder moet worden opgemerkt dat het feit dat een document niet afkomstig is uit objectieve bron, nog niet automatisch maakt dat het stuk geen betekenis kan hebben. Onder omstandigheden kan ook een verklaring die niet afkomstig is uit objectieve bron bewijskracht hebben, namelijk als het met enig ander concreet bewijs wordt gestaafd.[9] Dus als dezelfde moeder als genoemd onder a. niet alleen aan haar zoon schrijft dat de autoriteiten aan de deur zijn geweest en naar hem zoeken, maar daarbij tevens een origineel opsporingsbevel meestuurt, hebben haar verklaringen in de brief bewijskracht. Als zodanige verklaringen niet op enigerlei wijze worden gestaafd, hoeft verweerder hiernaar geen nader onderzoek te doen.[10]

c. Het stuk is afkomstig uit objectieve bron en de daarin vermelde informatie is eveneens afkomstig uit objectieve bron.

Hierbij kan worden gedacht aan een origineel arrestatiebevel waarin staat vermeld dat de betreffende asielzoeker wordt gezocht voor een bepaald feit. Als de inhoud van het stuk de verklaringen van de asielzoeker ondersteunt, terwijl die verklaringen in eerste instantie niet geloofwaardig zijn bevonden, is sprake van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid waarvan niet kan worden gezegd dat het niet op voorhand kan afdoen aan wat in een eerder besluit is overwogen.

Waakzaamheid is echter geboden. Soms lijkt informatie afkomstig te zijn uit objectieve bron, maar is het dat bij nadere bestudering niet. Zo kan zich de situatie voordoen dat een asielzoeker een stuk inbrengt van een mensenrechtenorganisatie uit zijn land van herkomst die zijn relaas bevestigt. Op zichzelf kan men zeggen dat die informatie afkomstig is van een derde die onafhankelijk staan ten opzichte van de asielzoeker, maar als de inhoud van de verklaring niet met authentieke stukken wordt onderbouwd en geen inzicht wordt geboden op welke wijze onderzoek is gedaan en welke bronnen zijn geraadpleegd, is het stuk niet te beschouwen als objectieve bron.[11] Wat voor (individuele) ambtsberichten van de minster van Buitenlandse Zaken geldt, geldt eveneens voor rapporten en/of verklaringen van andere organisaties.

Een ander voorbeeld dat kan worden genoemd is een krantenbericht. Als uit het bericht niet kan worden afgeleid op welke wijze en van wie de informatie is verkregen, is geen sprake van informatie uit objectieve bron. Dat klemt temeer als ook nog blijkt dat de naam van de auteur van het stuk is gefingeerd.[12]

d. Het stuk is afkomstig uit objectieve bron, maar duidelijk is dat de daarin vermelde informatie niet afkomstig is van een objectief verifieerbare bron.

Als voorbeeld kan worden genoemd een schriftelijke verklaring van een ten opzichte van de asielzoeker onafhankelijke getuige, die zijn getuigenis niet baseert op eigen waarneming maar op wat anderen hem hebben verteld. Ook in dat geval is uiteindelijk geen sprake van informatie afkomstig uit objectieve bron, zou ik zeggen.[13] De informatie is immers niet verifieerbaar, nu deze is gebaseerd op informatie van derden die niet zelf getuigen.

Een ander – duidelijker – voorbeeld is al in het begin genoemd. Op zichzelf kan de instantie die het document heeft opgesteld objectief zijn, zoals de politie die een authentieke politieverklaring afgeeft, maar als die verklaring is opgesteld op basis van een aangifte of verklaring die is gedaan door een persoon die niet als een ten opzichte van de asielzoeker objectieve bron is te beschouwen, dan is de informatie niettemin niet afkomstig uit objectieve bron en daarmee geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.[14]

mr. A.A.M.J. Smulders[15]
September 2013

[1] AbRS 21 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008: BC6760.
[2] AbRS 5 maart 2002, ECLI:NL:RVS:2002: AE1164, en AbRS 18 december 2002, ECLI:NL:RVS:2002: AR3943. Het betrof in beide uitspraken een arrestatiebevel waarvan niet aannemelijk was gemaakt dat het niet eerder overlegd had kunnen worden.
[3] AbRS 19 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009: BJ1586 en AbRS 28 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011: BQ3788.
[4] AbRS 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003: AI1138 (faxkopie van een vonnis), en AbRS 7 november 2003, ECLI:NL:RVS:2003: AO2114 (geen originele oproepen).
[5] EHRM 2 oktober 2012 inzake Singh tegen België, ECLI:NL:XX:2012: BY3194. In deze zaak ging het onder meer over kopieën van paspoorten en e-mails van de UNHCR. Zie ook mijn notitie Stel-, samenwerking- en onderzoeksplicht in het asielrecht, die te vinden is op Wiki.
[6] Onder meer AbRS 14 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ2588, en AbRS 6 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:726.
[7] Zie onder meer AbRS 14 maart 2005, ECLI:NL:RVS:2005: AT3430 (brief van een vriend), ABRS 17 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011: BR5419 (verklaring van buurtvrienden), en AbRS 7 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011: BV1578 (brieven van oom).
[8] AbRS 30 maart 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AW1798.
[9] Dit volgt uit AbRS 21 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008: BG6760 (zie rechtsoverweging 2.2.2).
[10] AbRS 11 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ441: Doordat de vreemdeling heeft nagelaten om de door hem overgelegde verklaring op enigerlei wijze te staven, heeft verweerder al hierom niet ten onrechte geen navraag gedaan bij de Duitse autoriteiten naar de inhoud van de verklaring van de oom van de vreemdeling, aldus de Afdeling.
[11] AbRS 6 april 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AW3552 (rapport ISHR-SIHD, afdeling Congo).
[12] Zie AbRS 23 januari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV0990.
[13] Vergelijk AbRS 10 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012: BW6196. Hierin overweegt de Afdeling dat de getuigenverklaringen van H. niet berusten op eigen waarnemingen, maar op wat anderen hebben hem verteld, zodat zij reeds daarom niet kunnen worden aangemerkt als nova. Aan de vraag of H. kan worden aangemerkt als objectieve bron wordt niet toegekomen.
[14] AbRS 2 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO6319. Dat de politie wel als objectieve bron kan worden aangemerkt, laat omverlet dat de aangifte berust op verklaringen van de zuster van de vreemdeling, die niet als objectieve bron kan worden aangemerkt, aldus de Afdeling.
[15] A.A.M.J. (Stijn) Smulders is stafjurist bij de rechtbank Oost-Brabant en houdt zich voornamelijk bezig met her rechtsgebied asiel. Notities, zoals deze, worden door hem geschreven om rechters en juridische ondersteuning behulpzaam te zijn bij hun werkzaamheden. Zij zijn enkel bedoeld als overzicht, richtsnoer of discussiestuk en binden rechters op geen enkele wijze. Derden kunnen hieraan dan ook geen rechten ontlenen.

Advertenties

Een daadwerkelijk rechtsmiddel

Een beroep op artikel 46, eerste en derde lid, van Richtlijn 2013/32/EU

De komende tijd kunnen asielrechters in zaken geconfronteerd worden met een beroep op artikel 46, eerste en derde lid, van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (de herschikking van de Procedurerichtlijn). Hierin is bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat en dat de lidstaten, teneinde hieraan te voldoen, ervoor zorgen dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU (herschikking Definitierichtlijn), zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.

Advocaten zullen in deze bepaling lezen dat de rechter, anders dan tot op heden het geval is, niet langer met terughoudendheid het standpunt van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (het bestuursorgaan) over de geloofwaardigheid van een asielrelaas mag toetsen, maar dat hij dit vol moet verrichten en daarbij – zo nodig – zelf aan feitenonderzoek dient te doen.

Een asielrechter zou een dergelijk beroep kunnen pareren met de overweging dat Richtlijn 2013/32/EU eerst uiterlijk op 20 juli 2015 geïmplementeerd hoeft te zijn in het nationale recht en dat derhalve op artikel 46 van die richtlijn nog geen beroep kan worden gedaan. Zo volgt uit de arresten van het HvJ EU van 4 juli 2006, inzake Adeneler, C-212/04, NJ 2006/539, en van 27 juni 2013 inzake VG Wort, C-457/11 tot en met C-460/11, dat voor de nationale rechter eerst vanaf het verstrijken van de omzettingstermijn de algemene verplichting geldt om het interne recht richtlijnconform uit te leggen. Zo de jurisprudentie van de Afdeling over de marginale toetsing al dient te worden aangemerkt als intern recht, bestaat thans dus geen verplichting voor de rechter om tot richtlijnconforme interpretatie over te gaan.

Persoonlijk ben ik met het oog op de toekomst geïnteresseerd of met artikel 46 van de richtlijn een wijziging van recht is beoogd. Om hier een mogelijk antwoord op te vinden, is het van belang om te weten dat het asielrecht deel uitmaakt van het bestuursrecht. Het is naar mijn mening om die reden dat de Afdeling al in juli 2002 liet weten dat het bestuursorgaan beoordelingsruimte toekomt met betrekking tot de vraag of een asielrelaas geloofwaardig is te achten en dat de rechter dit standpunt marginaal dient te toetsen.[1] In haar uitspraak van 27 januari 2003[2] legde de Afdeling uit waarom het bestuursorgaan die ruimte toekomt. Volgens de Afdeling beoordeelt het bestuursorgaan de geloofwaardigheid van het asielrelaas op basis van uitvoerige gehoren en door vergelijking van het relaas met al datgene wat hij over de situatie in het land van herkomst weet uit ambtsberichten en andere objectieve bronnen en wat hij eerder heeft onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere asielzoekers in een vergelijkbaar geval. Dit overzicht stelt hem in staat die beoordeling vergelijkenderwijs en derhalve geobjectiveerd te verrichten, aldus de Afdeling. Naar het oordeel van de Afdeling is de bestuursrechter niet in staat de geloofwaardigheid op vergelijkbare wijze te beoordelen en dient hij het standpunt van het bestuursorgaan over de geloofwaardigheid dan ook marginaal te toetsen.

Deze rechtspraak van de Afdeling is later, zij het in ietwat andere bewoordingen, overgenomen door voormalig staatssecretaris Albayrak in reactie op het initiatiefwetsvoorstel van Pechtold en Van de Ham om in de Vreemdelingenwet 2000 een artikel (artikel 82a) op te nemen waarin zou worden bepaald dat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening houdt met door de vreemdeling afgelegde verklaringen en overgelegde bewijsmiddelen, voor zover zij de daarin gestelde feiten en vermoedens geloofwaardig acht.[3] Op 9 september 2013 wil Tweede Kamerlid Gerard Schouw van D66 opnieuw een initiatief wetsvoorstel hierover indienen (http://nos.nl/artikel/549204-d66-inhoudelijke-rol-asielrechter.html). In dit wetsvoorstel staat dat rechters zelf onderzoek moeten kunnen doen in asielzaken, en niet alleen maar moeten afgaan op de conclusies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

Albayrak liet in haar brief van 27 januari 2010 aan de Voorzitter van de Eerste Kamer weten dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van het relaas in het bestuursrecht in eerste instantie aan het bestuursorgaan is. Volgens haar zit bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de kennis, expertise, tijd, energie en het geld om uitgebreid op alle feiten die worden aangedragen in te gaan, om onderzoek te doen, om taalanalyses te doen en om uitgebreid te onderzoeken of een verhaal klopt. Als rechters ten volle alles wat de IND heeft gedaan, zouden moeten narekenen en overdoen, zou de verantwoordelijkheid van het bestuursrecht naar de rechter verschuiven, hetgeen in het bestuursrecht nooit de bedoeling is, aldus Albayrak.[4]

De marginale toetsing neemt niet weg – en dat lijkt soms te zijn vergeten – dat de rechter dient te beoordelen of het besluit zorgvuldig is voorbereid en voorzien is van een draagkrachtige motivering, zoals de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorschrijven. Daarbij komt dat de rechter, gegeven de beoordeling van geloofwaardigheid van een relaas in een individueel geval, vol dient te toetsen of de wel geloofwaardig te achten feiten betekenen dat de betreffende vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst heeft te vrezen voor vervolging in de zin van artikel 1(A) van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (het Vluchtelingenverdrag), of voor schending jegens hem van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM).[5] Daarnaast is het zo dat artikel 83 van de Vw 2000 in 2010 is gewijzigd (lees: verruimd), in die zin dat de rechter niet alleen nieuw gebleken feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het bestreden besluit bij het beroep betrekt, maar alle feiten en bewijsmiddelen die na het bestreden besluit zijn aangevoerd, dan wel overgelegd.

Men kan zich de vraag stellen of met vorengenoemde waarborgen en procedurele mogelijkheden niet al is voldaan aan artikel 46 van de Richtlijn. De toenmalige minister voor Immigratie, Integratie en Asiel liet in ieder geval naar aanleiding van vragen over de richtlijn in zijn brief van 24 juli 2012 aan de Voorzitter van de Eerste Kamer weten dat Nederland ten aanzien van de rechterlijke toetsing steeds op het standpunt heeft gestaan dat de rechterlijke toetsing ook de feiten omvat. Volgens de minister toetst de rechter in het Nederlandse systeem zonder beperking of er een grond voor toelating is in het licht van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Voor wat betreft de beoordeling van de geloofwaardigheid heeft Nederland betoogd dat deze in eerste instantie aan het bestuursorgaan is. De beslisautoriteit is immers bij uitstek de instantie waar de kennis, expertise, tijd en het geld aanwezig zijn om uitgebreid in te gaan op alle feiten die worden aangedragen, om onderzoek te doen, om taalanalyses te doen en om uitgebreid te onderzoeken of een verhaal klopt, aldus de minister.[6]

De minister leest artikel 46, derde lid, van de Richtlijn kennelijk aldus, dat de lidstaten ervoor zorgen dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de door het bestuursorgaan geloofwaardig geachte feiten als juridische gronden omvat. Ik kan niet uitsluiten dat die lezing juist is. Dat zou betekenen dat artikel 46 voor Nederland geen wijziging van recht inhoudt en daarom niet hoeft te worden omgezet naar nationaal recht.
De mogelijkheid blijft echter bestaan dat artikel 46 zo moet worden gelezen, dat de lidstaten ervoor zorgen dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de door de vreemdeling gestelde feiten als juridische gronden omvat.[7]
Het te zijner tijd stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU lijkt dan ook welhaast onvermijdelijk.

Veronderstel dat uit de beantwoording van de prejudiciële vragen volgt dat het laatste met artikel 46 van de richtlijn is bedoeld en de rechter dus zelfstandig dient te beoordelen of hij het asielrelaas geloofwaardig acht, is dan sprake van een voor de vreemdeling relevante wijziging van recht?
Ik meen vooralsnog dat die vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Er wordt immers geen nieuwe toelatingsgrond asiel mee gecreëerd.[8] Dat veel advocaten kennelijk denken dat een volle toets en feitenonderzoek door de rechter tot gunstiger resultaten voor hun cliënten zullen leiden, is iets anders.[9] Bovendien zou die veronderstelling wel eens op een misvatting kunnen berusten. Niet valt in te zien waarom de rechter niet evenals het bestuursorgaan tot de conclusie komt dat het vluchtverhaal positieve overtuigingskracht mist en ongeloofwaardig is. Het zou zelfs zo maar kunnen dat een rechter na grondig onderzoek tot het oordeel komt dat een asielrelaas ongeloofwaardig is, terwijl het bestuursorgaan dezelfde gestelde feiten niet zwaarwegend genoeg vindt om internationale bescherming te bieden. En wat dan? Gaat de advocatuur dan in hoger beroep betogen dat de rechter ingevolge artikel 8:69 van de Awb buiten de grenzen van het geschil is getreden en dat diens oordeel bovendien in strijd is met het verbod van reformatio in peius?[10]
En wat zal dan daarop het antwoord van de Afdeling zijn? Nee, hoor, want in de Vw 2000 is vanaf 21 juli 2015 een artikel opgenomen waarin de rechter wordt opgedragen om vol te toetsen en zelfstandig onderzoek te doen en het nu eenmaal zo is dat de lex specialis, de Vw 2000, voorrang heeft boven de lex generalis, de Awb?[11] En van strijd met het verbod van reformatio in peius is evenmin sprake, nu de vreemdeling al een afwijzend besluit op zijn aanvraag had, zodat hij door het instellen van beroep niet in een slechtere positie is gekomen?

Afijn, zorgen voor de dag na morgen. Nog even tijd om te laten bezinken en rustig over na te denken.

mr. A.A.M.J. Smulders[12]
September 2013.

[1] ABRS 9 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE6677.
[2] ABRS 27 januari 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF5566.
[3] Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 30830, nr.8.
[4] Eerste Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 32218 en 32219, B.
[5] Onder meer ABRS 15 november 2002, zaaknummer 200205536/1.
[6] Brief van 24 juli 2012, kenmerk 2012-0000381641.
[7] Zie bijvoorbeeld de full en ex nunc toetsing van het EHRM in de zaak Salah Seekh tegen Nederland, ECLI:NL:XX:2007:AZ5971.
[8] Dat is mijn enige puntje van kritiek op de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 22 augustus 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:5084, omdat in die zaak waarin een opvolgende asielaanvraag voorlag, door de voorzieningenrechter de suggestie wordt gewekt dat artikel 46 van de Richtlijn een relevante wijziging van recht (op toelating) is en tot het oordeel zou hebben geleid dat geen sprake is van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb als de omzettingstermijn zou zijn verstreken.
[9] De veronderstelling dat rechters het verschil kunnen maken als ze maar vol zouden toetsen, leid ik af uit het feit dat advocaten menigmaal in beroep betogen dat de rechter hiertoe gehouden is op grond van jurisprudentie van het EHRM.
[10] In het Nederlandse bestuursrecht geldt een verbod van reformatio in peius: een burger mag door het instellen van bezwaar en beroep er niet nog slechter voor komen te staan dan het geval was voordat hij aan de procedure begon.
[11] Lex specialis derogat legi generali.
[12] Stijn Smulders is stafjurist asiel bij de rechtbank Oost-Brabant. Hij schreef dit artikel echter louter op persoonlijke titel en voornamelijk om zijn gedachten te vormen over de betekenis en gevolgen van artikel 46 van Richtlijn 2013/32/EU. Derden kunnen hieraan dan ook geen rechten ontlenen.