WBV 2014/36 en WI 2014/10 – Geen wijziging van beleid (het recht)

Begin dit jaar bogen vreemdelingenrechters zich over de vraag of het WBV 2014/36 en de daarbij behorende Werkinstructie (WI) 2014/10, waarbij de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling is geïntroduceerd, waren te beschouwen als een (relevante) wijziging van beleid dan wel van het recht, waarmee zij in beroep op grond van artikel 83, tweede lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) rekening dienden te houden.

Asielzoekers, wier asielrelaas ongeloofwaardig was geacht op grond van het beoordelingskader van de positieve overtuigingskracht (POK), betoogden namelijk vanaf 1 januari 2015 in de beroepsfase dat zich een voor hen relevante beleidswijziging had voorgedaan en dat hun relaas na 1 januari opnieuw beoordeeld diende te worden aan de hand van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling.

De lagere rechtspraak hierover liet een ‘rijkgeschakeerd’ beeld zien, mede denk ik ook omdat zaken op verschillende wijzen werden bepleit namens de staatssecretaris. Hoe dan ook vonden we aan de ene kant van het spectrum het standpunt van zittingsplaats Den Bosch en aan de andere kant dat van de zittingsplaatsen Amsterdam, Arnhem en Zwolle. Daartussenin bewogen zich onder meer zittingsplaatsen Utrecht en Haarlem.

Volgens zittingsplaats Den Bosch was de per 1 januari 2015 ingevoerde integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, zoals neergelegd in WBV 2014/36 en WI 2014/10, niet aan te merken als een (relevante) wijziging van het recht.[1] Naar het oordeel van Den Bosch bracht de wijze van motiveren in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas en het loslaten van het leerstuk van de POK geen materiële wijziging in de in het Nederlandse recht gehanteerde toetsingsnorm of ingevolge artikel 29 van de Vw 2000 aan een asielzoeker internationale bescherming dient te worden geboden. Met het WBV 2014/36 en WI 2014/10 was geen wijziging beoogd van het recht op toelating. Daarbij werd aangetekend dat ook onder de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verzwaring van de bewijslast mogelijk is. Om die reden(en) werden voornoemde WBV en de WI door die zittingsplaats niet met toepassing van artikel 83, tweede lid, van de Vw 2000 bij de beoordeling van het bestreden besluit betrokken.

De richting die Den Bosch koos was in belangrijke mate ingegeven door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 november 2002[2], waarin werd geoordeeld dat de afkondiging van een vertrekmoratorium voor asielzoekers uit Centraal-Irak geen betekenis had voor de beoordeling van de aanvragen om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Volgens de Afdeling bracht het blijkens zijn tekst geen wijziging in het beleid om geen categoriale bescherming te bieden aan asielzoekers uit Centraal-Irak.
Hierop doorredenerend bracht het WBV 2014/36 volgens Den Bosch enkel een wijziging in de wijze waarop de motivering van de geloofwaardigheidsbeoordeling zichtbaar zal zijn in afwijzende asielbeschikkingen.[3] Het WBV wijzigde op zichzelf niet het beleid om ten aanzien van bepaalde groepen van asielzoekers eerder wel of niet vluchtelingschap of een risico op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aan te nemen, zoals het (niet langer) aanwijzen van kwetsbare minderheidsgroepen, risicogroepen of het bestempelen van een land of een bepaald gebied als ‘15c-gebied’.

Diametraal tegenover de lijn van Den Bosch stonden de uitspraken van de zittingsplaatsen Amsterdam, Arnhem en Zwolle, die het WBV 2014/36 en de WI 2014/10 wel aanmerkten als wijziging van beleid bedoeld in artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 waarvan niet op voorhand was uit te sluiten dat die tot andere uitkomst kon leiden voor de vreemdeling.[4]


Amsterdam wees erop dat het WBV 2014/36 had geleid tot wijzigingen van bepaalde paragrafen van de Vreemdelingencirculaire 2000 en dat in tegenstelling tot de POK in het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, nadat de relevante elementen van het asielrelaas zijn vastgesteld, de geloofwaardigheid van die elementen wordt beoordeeld en dat vervolgens de relevante elementen die als geloofwaardig worden aangenomen en de elementen die als ongeloofwaardig worden aangemerkt, niet enkel los van elkaar, maar ook in onderlinge samenhang worden gewogen. De WI werd door Amsterdam eveneens als een wijziging van beleid aangemerkt, nu hierin is uitgewerkt op welke wijze in de praktijk tot een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling wordt gekomen. Het standpunt van de staatssecretaris, dat geen sprake is van een wijziging van beleid, omdat de toelatingsgronden en de omstandigheden die een rol spelen bij de beoordeling van de verklaringen van de vreemdeling niet zijn gewijzigd, doch slechts de wijze waarop het geloofwaardigheidsoordeel wordt gemotiveerd, werd niet gevolgd. Nu de omstandigheden die een rol spelen bij de beoordeling van de verklaringen van de vreemdeling onderdeel zijn van de nieuwe integrale geloofwaardigheidsbeoordeling waarbij alle relevante elementen van het asielrelaas dienen te worden gewogen, al dan niet in onderlinge samenhang, ging het naar het oordeel van Amsterdam niet alleen om een gewijzigde motivering, maar ook en vooral om een nieuwe weging van alle relevante elementen uit het asielrelaas (lees: een nieuw beoordelingskader).
Volgens Amsterdam was niet op voorhand uit te sluiten dat het WBV en de bijbehorende WI tot een gunstiger resultaat zouden kunnen leiden dan bij de beoordeling van de POK onder het oude beleid. De beleidswijziging werd dan ook als relevant beschouwd in zaken waarin de POK was toegepast. De staatssecretaris diende van Amsterdam telkens in concrete zaken gemotiveerd aan te geven op welke wijze in het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling de relevante elementen los dan wel in onderlinge samenhang waren gewogen en tot welke uitkomst deze weging leidde. Pas dan kon worden beoordeeld of in een concrete zaak sprake is van een andere uitkomst, aldus Amsterdam.[5]


Arnhem en Zwolle kwamen materieel tot een gelijkluidend oordeel als Amsterdam maar verwoordden het iets anders. Volgens deze zittingsplaatsen was niet slechts sprake van een andere wijze van motiveren van de asielbeschikking, omdat de toepasselijkheid van één van de omstandigheden, bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw 2000 anders dan voorheen, niet op voorhand meebrengt dat de asielzoeker in een “bewijs”-achterstandspositie komt te verkeren. Het afschaffen van deze verzwaarde bewijslast vormde daarmee in de ogen van Arnhem en Zwolle een wijziging van beleid als bedoeld in artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Dat met het WBV 2014/36 en de WI 2014/10 de toelatingsgronden niet zijn gewijzigd en dat de omstandigheden die van belang worden geacht bij de beoordeling van de verklaringen van de vreemdeling, zoals het ontbreken van documenten, evenmin zijn gewijzigd, deed aan het vorenstaande niet af. Nu de verzwaarde bewijslast van de POK niet langer wordt toegepast, kan het gewijzigd beleid in zoverre relevant zijn als de POK is toegepast. Volgens Arnhem en Zwolle kon derhalve niet op voorhand worden uitgesloten dat toepassing van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling tot een andere uitkomst zou leiden. De staatssecretaris diende op de in het WBV 2014/36 en de in WI 2014/10 beschreven wijze inzichtelijk te maken dat een asielrelaas ook bij een integrale geloofwaardigheidstoets ongeloofwaardig zou zijn.[6]


Zittingsplaats Haarlem nam een tussenpositie in en hield de deur voor de vreemdeling op een kiertje.[7] Volgens Haarlem konden het WBV en de bijbehorende WI in ieder geval niet relevant zijn voor de beoordeling van een zaak als de staatssecretaris zijn conclusie dat het asielrelaas ongeloofwaardig is (lees: positieve overtuigingskracht mist) niet had gebaseerd op een enkel(e) hiaat, vaagheid, ongerijmde wending of tegenstrijdigheid op het niveau van de relevante bijzonderheden en de vreemdeling niet concretiseerde waarom de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling tot een ander oordeel kon leiden.
Haarlem zag het WBV 2014/36 en de WI denk ik wel als een wijziging van beleid, maar niet op voorhand als een relevante wijziging. Deze zittingsplaats zou de wijziging namelijk enkel ingevolge artikel 83, tweede lid, onder a, van de Vw 2000 bij het beroep betrekken als de staatssecretaris in het afwijzend besluit slechts één argument had genoemd waarom hij vond dat het relaas positieve overtuigingskracht mist én de vreemdeling heeft geconcretiseerd waarom de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling tot een ander (materieel) resultaat kon leiden. Het was niet de staatssecretaris die diende te concretiseren dat in een zaak geen sprake was van een relevante wijziging van beleid, maar de vreemdeling. De bewijslast die hierdoor op de vreemdeling rustte was zwaar. Kennelijk vond Haarlem het ook niet voldoende als de vreemdeling enigszins aannemelijk kon maken dat de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling tot een ander oordeel zou kunnen leiden, omdat de vreemdeling dat moest concretiseren. Een geheel andere invulling van de ‘op voorhand toets’ dan de zittingsplaatsen Amsterdam, Arnhem en Zwolle.

Zittingsplaats Utrecht oordeelde dat sprake was van een wijziging van beleid, omdat onder de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, anders dan onder de POK, niet op voorhand een verzwaarde bewijslast op de vreemdeling rust om zijn asielrelaas aannemelijk te maken en omdat de ongeloofwaardigheid van één relevant element niet langer automatisch doorwerkt naar andere elementen.[8] Verder was deze zittingsplaats van oordeel dat de wijziging relevant zou kunnen zijn voor de verlening van een verblijfsvergunning op grond van de artikelen 28 en 33 van de Vw 2000, nu een andere weging en beoordeling van de (relevante elementen van de) geloofwaardigheid tot een andere conclusie over de geloofwaardigheid kon leiden.
Niettemin was Utrecht van oordeel dat de beleidswijziging niet relevant was voor de vreemdeling in kwestie. Zij wees erop dat het aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is om de geloofwaardigheid van een asielrelaas in concrete gevallen te beoordelen en om voor de te verrichten beoordeling beleid te maken. Overwogen werd voorts dat de staatssecretaris de vrijheid had genomen om vooruitlopend op de implementatie van de Procedurerichtlijn de geloofwaardigheidsbeoordeling van asielaanvragen te wijzigen per 1 januari 2015. Naar het oordeel van Utrecht behoort het ook tot de vrijheid van de staatssecretaris om te bepalen vanaf welk moment hij overgaat tot toepassing van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Een redelijke uitleg van het gewijzigd beleid, waarmee beoogd is om te komen tot een gefaseerde verandering van de werkwijze van de staatssecretaris om recht te doen aan dat wat de Procedurerichtlijn in zijn visie van hem vereist, bracht, aldus Utrecht, met zich dat de ingangsdatum van de beleidswijziging een onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van dat beleid en een concrete afbakening in tijd met zich brengt. Utrecht komt daarom tot de slotsom dat vreemdelingen die vóór 1 januari 2015 een afwijzende asielbeschikking hebben ontvangen, geen beroep kunnen doen op de beleidswijziging omdat deze voor hen niet relevant is. Nu het bestreden besluit dateert van voor 1 januari 2015, bood artikel 83 van de Vw 2000 geen grondslag om de beleidswijziging bij de beoordeling van het beroep te betrekken, aldus Utrecht.

De uitspraak van Utrecht kan ik – de eerlijkheid gebiedt het mij te zeggen – niet goed volgen, omdat de bedoeling van artikel 83 van de Vw 2000 buiten spel wordt gezet ondanks dat in het WBV 2014/36 geen bepaling van overgangsrecht is opgenomen.[9] In het WBV is geen bepaling opgenomen waaruit blijkt van eerbiedigende dan wel uitgestelde werking.

Opvolgende asielaanvragen
De hierboven beschreven wegen die werden bewandeld, beïnvloedden tevens de wijze waarop door rechters werd gekeken naar opvolgende asielprocedures waarin vreemdelingen aangaven dat sprake was van een relevante wijziging van beleid (het recht), te weten het WBV 2014/36 en de daarbij behorende WI. In feite verzochten vreemdelingen hiermee de staatssecretaris om hun asielrelaas opnieuw te bezien aan de hand van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling.

De vreemdeling die in dat geval tegen een afwijzend besluit op een opvolgende asielaanvraag in beroep ging, zou in Den Bosch van een koude kermis thuis komen, omdat deze zittingsplaats van oordeel was dat geen sprake is van een (relevante) wijziging van het beleid (het recht). Een vreemdelingenrechter in Den Bosch zou derhalve het beroep ongegrond verklaren onder verwijzing naar het besluit of de besluiten uit de eerdere procedure(s).
Voor de vreemdeling van wie het beroep zou worden behandeld door Amsterdam, Arnhem of Zwolle, zou dat anders hebben gelegen omdat deze zittingsplaatsen van oordeel waren dat sprake was van een relevante wijziging van beleid (het recht), zodat vreemdelingenrechters aldaar toekwamen of toe zouden zijn gekomen aan toetsing van het bestreden besluit op de opvolgende aanvraag.

De uitspraken van de Afdeling van 9 april 2015[10]
Natuurlijk was de hiervoor beschreven divergentie in de jurisprudentie niet aanvaardbaar. De Afdeling heeft op dit punt met twee uitspraken van 9 april 2015 weer rechtseenheid gebracht.
Naar het oordeel van de Afdeling blijkt uit de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel ter implementatie van de Procedurerichtlijn (Kamerstukken II 2014/15, 34 088, nr. 3, blz. 17, en Kamerstukken II 2014/15, 34 088, nr. 6, blz. 21 en 22) dat met de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling geen inhoudelijke wijziging van het beoordelingskader is beoogd, maar een andere wijze van motiveren van het geloofwaardigheidsoordeel om de rechterlijke toetsing daarvan te versterken. Het relevante wettelijke kader en de criteria op grond waarvan de staatssecretaris asielrechtelijke bescherming verleent, zijn ook niet gewijzigd. In zoverre is de inwerkingtreding van het WBV 2014, uitgewerkt in WI 2014/10, geen wijziging van beleid. De Afdeling verwijst daarbij naar haar uitspraak van 9 december 2004 in zaak nr. 200406183/1.[11]


De Afdeling overweegt voorts dat ook in de bewijslastverdeling geen wijziging komt. Volgens de Afdeling is het nog steeds in de eerste plaats aan de desbetreffende vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de staatssecretaris aannemelijk te maken, en aan de staatssecretaris om bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat de staatssecretaris de toepasselijkheid van omstandigheden, bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000, niet langer aan het begin van een concreet besluit weergeeft, maakt evenmin dat er een wijziging van beleid is in de zin van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Mede ook met de toelichting van de staatssecretaris ter zitting bij de Afdeling, is aannemelijk gemaakt dat noch de opsomming van die omstandigheden, die van invloed kunnen zijn op de geloofwaardigheid van een asielrelaas, noch het relatieve gewicht dat eraan kan toekomen, afhankelijk van een asielrelaas in een concrete zaak, is veranderd. Volgens de Afdeling doen de omstandigheden, bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw 2000, onder het WBV en de WI nog steeds afbreuk aan de geloofwaardigheid van een asielrelaas en brengen deze omstandigheden met zich dat een vreemdeling zich meer moet inspannen om zijn asielrelaas alsnog aannemelijk te maken, zij het dat de staatssecretaris in een concreet besluit kenbaar zal motiveren hoe deze van invloed zijn op die geloofwaardigheid.

De uitspraken van de Afdeling zullen bij de IND overwegend jubelend zijn ontvangen omdat asielrelazen die al zijn beoordeeld op grond van de POK niet opnieuw beoordeeld hoeven te worden op basis van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Niettemin sluit ik niet uit dat deze uitspraken met name voor de opstellers van het WBV 2014/36 en de WI 2014/10 nog geen reden zijn voor een feestje. De Afdelingsuitspraken van 9 april 2015 zouden namelijk zo kunnen worden gelezen en uitgelegd dat er in feite met het WBV en de WI niets nieuws onder de zon is. In dat geval zou men daarmee in mijn ogen de bedoeling en strekking ervan tekort doen.[12] De POK en daarmee de op voorhand verzwaarde bewijslast voor de vreemdeling is immers afgeschaft en heeft plaatsgemaakt voor de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling op relevante onderdelen van het relaas. Dit zou moeten inhouden dat een asielrelaas niet langer vooraf met een bepaalde bril op wordt bekeken en als geheel ongeloofwaardig wordt geacht vanwege bijvoorbeeld één vage verklaring op een onderdeel van dat relaas. Een integrale toets betekent nu juist dat dat de ongeloofwaardigheid van één relevant element niet automatisch doorwerkt naar andere elementen.[13] Daarnaast is het gelet op de WI evenmin de bedoeling dat de POK in een verkapte vorm terugkeert binnen de geloofwaardigheidsbeoordeling van een relevant onderdeel van het relaas. Dus ofschoon de omstandigheden genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw 2000 relevant blijven toch geen ‘opgeknipte’ POK, zoals mijns inziens blijkt uit de volgende passage uit de WI:
De feiten en omstandigheden die in artikel 31, tweede lid, Vw 2000 worden genoemd, zijn en blijven in dit verband uiteraard relevant. Als deze zich voordoen, leidt dat echter niet tot een ander toetsingskader of een op voorhand verzwaarde bewijslast voor de vreemdeling. Deze omstandigheden kunnen bijvoorbeeld rechtsreeks van invloed zijn op de geloofwaardigheid van één of meer van de relevante elementen. Het is overigens niet de bedoeling dat artikel 31, tweede lid, a t/m f, Vw 2000 als zodanig in het voornemen en de beschikking worden aangehaald. Ook het gebruik van de term positieve overtuigingskracht en de daarbij behorende bewijslast (onderstreping S), moet worden vermeden.[14]


In de noot hierbij wordt nog opgemerkt dat de omstandigheden uit artikel 31, tweede lid, a t/m f, Vw 2000 kunnen worden tegengeworpen, zonder dat daarmee het kader van de positieve overtuigingskracht hoeft te gelden. Daarbij wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2013, nr. 201207398/1, r.o. 2.3.

De vraag is dan wel hoe en op welk moment in de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw 2000 genoemde omstandigheden moeten worden (mee)gewogen en of het in dat verband verschil uitmaakt om welke omstandigheid het gaat. Wat nu als de vreemdeling geen bevredigende verklaring heeft gegeven omtrent het ontbreken van een document ter staving van een relevant onderdeel van zijn verhaal waardoor van hem – mede in het licht van artikel 3.35, derde lid, aanhef en onder a en b, Voorschrift Vreemdelingen – kan worden verlangd dat hij een extra inspanning levert om (alsnog) op dit onderdeel het voordeel van de twijfel te krijgen? De POK en daarmee de op voorhand verzwaarde bewijslast voor de vreemdeling lijkt toch echt te zijn afgeschaft. Betekent dat in dit geval dat eerst aan het eind van de beoordeling van de geloofwaardigheid van een relevant onderdeel van het relaas, wellicht in samenhang bezien met andere relevante elementen die met dezelfde verhaallijn samenhangen, wordt geconcludeerd dat nu de vreemdeling geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van een document, hij in het geval van het afleggen van vage, ongerijmde en/of tegenstrijdige verklaringen niet heeft voldaan aan de extra inspanningsverplichting die op hem rust? En dat dit relevante onderdeel om die reden ongeloofwaardig wordt geacht en de vreemdeling niet het voordeel van de twijfel is gegund?

Maar als dit zo is, hoe zit het dan met een zware omstandigheid zoals de situatie waarin een vreemdeling een vals document heeft overgelegd en, hoewel daaromtrent ondervraagd, opzettelijk de echtheid daarvan blijft volhouden? Maakt deze omstandigheid niet toch niet, zeker wanneer het een document betreft dat ziet op de kern van het vluchtrelaas, dat het relaas bij voorbaat niet waarschijnlijk wordt geacht? En zo ja, hoe weegt en verwoordt een beslismedewerker van de IND zulks zonder daarmee het leerstuk van de POK weer te introduceren? Of dienen toch eerst en bovenal de verklaringen op hun eigen merites te worden beoordeeld en daarna te worden afgewogen tegenover een zware omstandigheid die zich voordoet? Misschien dat de beleidsmedewerkers van de IND hierover in de nabije toekomst nog eens duidelijkheid over willen en kunnen verschaffen in een aanvullende of nieuwe WI. Ik zou dat van harte toejuichen.

Stijn Smulders[15]


[1] Voorzieningenrechter Den Bosch 22 januari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:697.
[2] ABRS 22 november 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AI0084.
[3] Zo ook de toelichting bij het WBV 2014/36.
[4] Voorzieningenrechter Amsterdam 30 januari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:940, en 6 februari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:1392. Verder MK Arnhem 12 februari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:1386 en MK Zwolle 13 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:2810
[5] Zie JV 2015/57 met noot van dr. Reneman. De annotator kan zich vinden in het standpunt van de voorzieningenrechter Amsterdam dat naast een verbetering van de motivering van het asielbesluit sprake is van een nieuw beoordelingskader.
[6] MK Arnhem geeft in feite ook aan, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2011 (201005185/1), dat zij die beoordeling niet zelf behoort te maken, omdat dit tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris behoort.
[7] Zp Haarlem 29 januari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:1659.
[8] MK Utrecht 9 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2015:2417.
[9] Zie in die zin ook MK Zwolle van 13 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:2810, waarin de stelling van de staatssecretaris dat het WBV en de WI niet op de voet van artikel 83 van de Vw 2000 bij de beoordeling van het beroep kunnen worden betrokken om de enkele reden dat het bestreden besluit is gedateerd vóór de datum van inwerkingtreding van het WBV van 1 januari 2015, wordt verworpen. Volgens de rechtbank volgt uit de bewoordingen van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 expliciet dat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening kan houden met wijzigingen van beleid die na het bestreden besluit zijn bekendgemaakt. Uit het WBV 2014/36 volgt bovendien de onmiddellijke werking van de regeling en is er geen voorbehoud gemaakt voor lopende procedures, aldus Zwolle.
[10] ABRS 9 april 2015, nrs. 201501445/1/V2 en 201501148/1/V2, ECLI:NL:RVS:2015:1201 en ECLI:NL:RVS:2015:1203.
[11] De Afdeling oordeelde in deze uitspraak dat met de inwerkingtreding op 1 april 2001 van de Vw 2000 de gronden voor verlening van een verblijfsvergunning asiel niet in voor de beslissing op de aanvraag relevante zin zijn gewijzigd. Volgens de Afdeling bestaat mitsdien geen grond voor het oordeel dat, indien aan een (opvolgende) aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, de minister deze niet mag afwijzen onder enkele verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking. De Afdeling zegt hier dus in feite dat geen sprake is van een relevante wijziging van het recht, nu de toelatingsgronden voor verlening van een asielvergunning niet in relevante zin zijn gewijzigd.
[12] Verwezen zij ook naar het elders op het blog geplaatste artikel “De POK is dood, lang leve de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling”, dat tevens is verschenen in Journaal Vreemdelingenrecht nummer 1 van maart 2015 (Sdu).
[13] Zie WI 2014/10, paragraaf 3.2.2: De integrale weging.
[14] Zie WI 2014/10, paragraaf 2.2; De uitgangspunten van de integrale geloofwaardigheidstoets.
[15] mr. A.A.M.J. (Stijn) Smulders op persoonlijke titel.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s