Haute couture is nog geen prêt-à-porter – een analyse van de uitspraken van de Afdeling van 13 april 2016 over de rol van de asielrechter

Inleiding
Op 20 juli 2015 is Richtlijn 2013/32/EU (de nieuwe Procedurerichtlijn) geïmplementeerd in de nationale wetgeving. Zo werd artikel 46 van de nieuwe Procedurerichtlijn omgezet naar artikel 83a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). In artikel 46 lid 1 van de nieuwe Procedurerichtlijn is – kort gezegd – bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen een beslissing op hun verzoek om internationale bescherming. In artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedurerichtlijn is – afgaande op de Nederlandse vertaling van de richtlijn – bepaald dat de lidstaten, teneinde aan lid 1 te voldoen, ervoor zorgen dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU (de nieuwe Definitierichtlijn), zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.[1]

Zowel voor als na de implementatie is gediscussieerd over de betekenis van artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedurerichtlijn. Is hiermee een beoordelende rechter beoogd, die zelfstandig onderzoek verricht naar de geloofwaardigheid van een vluchtverhaal en zijn oordeel in de plaats kan stellen van dat van de beslissingsautoriteit, de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatsecretaris)? Of is daarmee een toetsende rechter beoogd die uit dient te gaan van de beslissing van de staatssecretaris en zodoende diens geloofwaardigheidsbeoordeling toetst? In het laatste geval speelt dan tevens de vraag hoe indringend die toetsing moet geschieden. Dient de rechter namelijk de beoordeling van de staatssecretaris over de geloofwaardigheid van een asielrelaas marginaal, enigszins terughoudend of vol te toetsen?

Uit de hierna beschreven parlementaire geschiedenis wordt duidelijk dat de wetgever niet steeds een heldere keuze maakte en het verschil tussen enerzijds een beoordelende rechter en anderzijds een toetsende rechter niet altijd even helder voor ogen had. Dit maakte het er voor de eerstelijnsrechters niet bepaald gemakkelijker op toen zij uitleg moesten geven aan de betekenis en strekking van artikel 83a van de Vw 2000. Hierna zal een kleine selectie uit uitspraken laten zien hoe daarover door verschillende rechters is gedacht. Het was uiteindelijk wachten op hoe de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) tegen deze kwestie aankeek en of zij aanleiding zag voor het stellen van prejudiciële vragen.

Op 13 april 2016 deed de Afdeling een tweetal richtinggevende uitspraken[2] over de betekenis van artikel 83a van de Vw 2000. In deze uitspraken oordeelde de Afdeling, samengevat weergegeven, dat de bestuursrechter in vreemdelingenzaken, overeenkomstig de uitgangspunten van het algemeen Nederlandse bestuursrecht, ook na de implementatie van de nieuwe Procedurerichtlijn, een toetsende rechter blijft. Naar haar oordeel kan de bestuursrechter aan artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedurerichtlijn niet de bevoegdheid ontlenen om zijn oordeel over de geloofwaardigheid van een asielrelaas in de plaats te stellen van dat van de staatssecretaris. Volgens de Afdeling blijkt verder niet dat met artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedurerichtlijn een norm is geschapen die de mate van indringendheid van de toetsing door de bestuursrechter in asielzaken in het algemeen, en in zaken over de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het bijzonder, bepaalt. In de visie van de Afdeling is de intensiteit van de rechterlijke toetsing van een asielbesluit afhankelijk van de vraag of de staatssecretaris beslissingsruimte heeft. Zij ziet die ruimte voor de staatssecretaris daar waar het gaat om de beoordeling van niet met bewijs gestaafde verklaringen en vermoedens van een vreemdeling. Als aspecten en bestanddelen hierop zien, dient de bestuursrechter enige terughoudendheid te betrachten en te toetsen of de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas ongeloofwaardig is. Volgens de Afdeling is haar uitleg van artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedurerichtlijn, en daarmee van artikel 83a van de Vw 2000, in overeenstemming met de opzet en doelstelling van de Procedurerichtlijn en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen. De Afdeling betrekt daarbij dat door de zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag eenzelfde uitleg is gegeven aan artikel 83a van de Vw 2000 (lees: toetsende rechter in plaats van beoordelende rechter) en dat het grootste gedeelte van de zittingsplaatsen evenals zij van oordeel is dat artikel 83a van de Vw 2000 niet uitsluit dat de staatssecretaris op onderdelen van zijn geloofwaardigheidsbeoordeling beslissingsruimte heeft.

Naar aanleiding van beide uitspraken is in de literatuur betoogd dat de Afdeling wel prejudiciële vragen had moeten stellen, omdat niet kan worden gezegd dat er redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedurerichtlijn moet worden uitgelegd. Zo schrijft Geertsema[3] dat het Unierecht dwingt tot het stellen van een prejudiciële vraag als uitleg van het Unierecht noodzakelijk is, tenzij sprake is van een acte clair of acte éclairé. Als de Afdeling vindt dat er sprake is van een acte clair, dan mag zij van Geertsema een beperkte uitleg geven aan het Unierecht, bijvoorbeeld door een terughoudende toetsing te vereisen van het bestuurlijk oordeel over de geloofwaardigheid van niet met bewijs gestaafde verklaringen of vermoedens, zolang de Afdeling van mening is dat deze uitleg voor iedere rechter, met inbegrip van het HvJ EU, volstrekt evident is. Maar volgens Geertsema is dat nu juist de vraag, omdat onderzoek uit 2013 uitwees dat binnen de EU geen sprake is van een eenduidige manier van rechterlijke toetsing van asielbesluiten.
Ook Reneman[4] is niet overtuigd van de motivering die de Afdeling geeft voor het niet stellen van prejudiciële vragen. Zij voert daartoe aan dat de Afdeling immers zelf overweegt dat het onduidelijk is welke mate van intensiteit het Unierecht voorschrijft.[5]
Daarnaast is ook Kok[6] van mening dat de Afdeling prejudiciële vragen moet stellen over artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedurerichtlijn als zij normen niet duidelijk acht. Hierbij betoogt Kok dat de Afdeling zich in bedoelde uitspraken heeft bediend van een eigen vertaling van artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedurerichtlijn, omdat, zo denkt hij, de Afdeling blijkbaar heeft gezien dat de Nederlandse tekst afwijkt van de andere taalversies. Hij wijst erop dat de Afdeling “facts”, “Tatsachen” en “faits” vertaalt door “vragen van feitelijke aard” en niet door de Nederlandse tekstversie “feitelijke gronden”. Het valt hem op dat Afdeling deze woorden niet eenvoudig vertaalt door “feiten”. Die vertaling lijkt hem cruciaal. Als het volledig en ex nunc onderzoek door de rechter “vragen van feitelijke aard en rechtsvragen” omvat kan dat wellicht nog op afstand gebeuren, bijvoorbeeld door te toetsen of de feitenvaststelling zorgvuldig was en of de motivering om van relevante feiten uit te gaan deugdelijk is. Het woord “onderzoek” heeft dan een zekere vaagheid, aldus Kok. Maar als de rechter zelf een volledig en ex nunc onderzoek naar de feiten moet verrichten, en dat staat in de andere taalversies, dan volgt daaruit volgens Kok wel een indringend onderzoek door de rechter en niet slechts een bestuursrechtelijke toetsing.[7]

Dat de Afdeling geen prejudiciële vragen heeft gesteld, laat zich misschien nog het best verklaren aan de hand van de woorden van Lubberdink, die hij uitsprak tijdens het symposium dat op 21 oktober 2014 werd georganiseerd naar aanleiding van het onderzoek van Spijkerboer naar de Nederlandse rechter in het vreemdelingenrecht.[8] Lubberdink zei dat vreemdelingenrecht in belangrijke mate Europees recht is geworden, onder meer omdat gaandeweg vanuit de EU meer regelgevende en normstellende kaders zijn gekomen. In zijn optiek is het dan de taak voor zowel wetgever als rechter om te bezien welke consequenties die grotere plaats van het Europese recht voor het nationale recht moet hebben. Er is volgens hem niet altijd meteen zicht op de consequenties die het nieuwe Europese recht voor het oude nationale recht zal hebben, ook niet voor de wetgever. De Afdeling zal proberen om in een overgangsfase het Europese en het nationale recht in elkaar te passen. Daarbij geldt, aldus Lubberdink, dat het doorbreken van de continuïteit van rechtspraak slechts dan is aangewezen, als volkomen duidelijk is dat de oude lijn hoe dan ook niet kan worden gehandhaafd. Lubberdink: “De Afdeling zal daarom behoedzaam de nieuwe Europese weg opgaan. Evolutie in plaats van revolutie.”

De Afdeling is klaarblijkelijk van mening dat de rechtspraak uit Europa en de nieuwe regelgeving (vooralsnog) niet dwingen tot een rigoureuze koerswijziging waarbij de rechter zelfstandig onderzoek doet en zijn oordeel in de plaats stelt of kan stellen van het bestuursorgaan. Verder toont de uitspraak van 13 april 2016 met zaaknummer 201507952/1/V2, die gaat over de vraag naar de intensiteit van de rechterlijke toetsing en waarover ik later nog kom te spreken, dat de Afdeling met betrekking tot de niet gestaafde bewijzen en vermoedens een stukje opschuift van een ‘marginale’ toetsing naar een ‘enigszins terughoudende’ toetsing, waarbij zij zich rekenschap geeft van de rol van de bestuursrechter in het algemeen binnen het Nederlandse bestuursrechtelijke stelsel en haar eerdere jurisprudentie op het punt van de intensiteit waarmee de rechter bepaalde aspecten van een asielbesluit mag toetsen.[9]

Of de Nederlandse rechter in eerste aanleg op dit moment aanleiding ziet om prejudiciële vragen te stellen, mag worden betwijfeld. De uitspraken van 13 april 2016 passen grotendeels in het beeld dat de jurisprudentie van de verschillende zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag al had laten zien. Sommige zittingsplaatsen hebben de Afdelingsuitspraken van 13 april 2016 al geïncorporeerd in hun uitspraken.[10] Dit hoeft evenwel nog niet te betekenen dat de uitspraken van de Afdeling volstrekt helder zijn en dat de rechter daarmee volledig uit de voeten kan. De asielrechter heeft van de Afdeling weliswaar een ruimer jasje gekregen, maar de vraag is of het op sommige plaatsen niet toch nog knelt en of er niet hier en daar een mouw aan moeten worden gepast. Die vraag komt hieronder aan de orde als de uitspraken van 13 april nader worden bekeken.

De parlementaire geschiedenis[11]
Eind 2013 kwam voormalig staatssecretaris Teeven namens het kabinet met een conceptwetsvoorstel ter implementatie van de nieuwe Procedurerichtlijn en Richtlijn 2013/33/EU (de nieuwe Opvangrichtlijn). In de toelichting bij het conceptwetsvoorstel werd over de ’volle toets’ onder meer gezegd dat de ratio van de nieuwe Procedurerichtlijn niet is dat de rechter zich volstrekt zelfstandig, zonder zich rekenschap te geven van het oordeel van het bestuursorgaan, een oordeel vormt over de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Volgens het kabinet gaat het Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel (GEAS) blijkens de richtlijn uit van de centrale rol voor de beoordelende autoriteit in asielprocedures. Ook vanuit het perspectief van machtenscheiding zou het onwenselijk zijn, aldus het kabinet, wanneer de rechter min of meer de gehele procedure zou overdoen, nu de rechterlijke macht niet onder controle staat van een van de andere machten in de individuele beoordeling van voorliggende zaken en de rechterlijke macht niet is toegerust en ingericht op een dergelijke taak.[12]

Het oordeel van het bestuur over de geloofwaardigheid van een asielrelaas bleef in het wetsvoorstel dus een belangrijk uitgangspunt voor de rechter, dat niet zonder meer opzij gezet kon worden. Van de rechtbank werd wel verlangd om zich een oordeel te vormen over de inhoud van de beschikking, ook waar deze onderwerpen betreft waar het bestuur beoordelingsruimte heeft, zoals de geloofwaardigheid van een vluchtverhaal. Volgens het kabinet zou de rechter zich meer dan voorheen een oordeel moeten vormen over de vraag of aan de voorwaarden voor geloofwaardigheid is voldaan. Volgens de toelicht bij het conceptwetsvoorstel zou er hiermee – als daar aanleiding voor is – ruimte zijn voor een constructief-kritische discussie over hetgeen is besloten door het bestuursorgaan. Niet uitgesloten werd geacht dat een door het bestuursorgaan als geloofwaardig aangemerkt asielrelaas door een rechter als ongeloofwaardig kon worden aangemerkt. Dit zou in alle gevallen vanzelfsprekend wel gemotiveerd moeten worden, aldus de memorie van toelichting.[13]

Voorts liet het kabinet weten dat ervoor is gekozen om een expliciet wettelijke bepaling op te nemen met een opdracht aan de rechtbanken om een volle toets te hanteren, ofschoon er geen rechtsregel is binnen het bestuursrecht die aan een volle toetsing in de weg staat. Deze wettelijke bepaling waarborgt dat een volle toetsing door de rechtbank kan worden gehanteerd wanneer hier aanleiding voor is. Het feit dat de bepaling is geformuleerd als een opdracht impliceert niet dat de rechtbank in alle gevallen ook een zelfstandig oordeel dient te geven over alle aspecten van het asielverzoek. Indien er geen aanleiding is voor twijfel aan het oordeel van het bestuursorgaan, zou dit slechts overbodige werklast meebrengen.[14]

Het was onduidelijk wat het kabinet met de rechter in asielzaken voor ogen had. Enerzijds leek het te zeggen dat de rechter een toetsende rechter is en blijft omdat het oordeel (besluit) van het bestuursorgaan voor hem uitgangspunt blijft, terwijl het anderzijds van de rechter leek te verlangen dat hij zich, indien nodig, constructief-kritisch zou opstellen en daar waar nodig zelfstandig een oordeel zou geven over (alle) aspecten van het asielrelaas, los van het oordeel van het bestuursorgaan. De verwarring werd voor een groot deel veroorzaakt doordat de wetgever geen helder onderscheid maakte tussen de begrippen ‘volle toets’, ‘volledige beoordeling’ en ‘zelfstandige beoordeling’.

Kennelijk enigszins wakker geschud na consultatie van de Raad van State liet Teeven weten dat de wetgever een toetsende rechter voor ogen had en niet een beoordelende rechter die, geheel los van het besluit, een eigen beoordeling geeft van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde feiten. Volgens Teeven had de Raad van State terecht uit de toelichting afgeleid – en dat is knap als men de toelichting leest – dat in het wetsvoorstel een toetsende rechter is beoogd. Het volledige en ex nunc onderzoek en de wijze waarop hieraan binnen de grenzen van de scheiding der machten en de wettelijke taak van de bestuursrechter vorm kan worden gegeven, moesten, zo zei Teeven, in dit licht worden begrepen. Hij voegde daaraan toe dat een volle toetsing van het geloofwaardigheidsoordeel van het bestuursorgaan op basis van het dossier naar de mening van de regering een goede invulling hiervan is. Teneinde de rechterlijke toetsing op de geloofwaardigheid te versterken was eveneens door de regering voorgesteld een meer integrale geloofwaardigheidsbeoordeling op te nemen in de beschikking.[15]

Later herhaalde Teeven andermaal dat de rechtbank zich daar waar het gaat om de intensiteit van de toetsing van de asielbeschikking, niet terughoudend hoefde op te stellen. Alle elementen van de beschikking, waaronder het oordeel van het asielrelaas en het oordeel over noodzaak van internationale bescherming, konden volgens hem volledig worden getoetst. Tegelijkertijd, zo merkte hij op, en daarmee sprak hij zich weer tegen, was een zekere terughoudendheid door de rechtbank in het toetsen van de afweging van het bestuur feitelijk vrijwel onvermijdelijk, omdat het bestuur beschikt over specifieke kennis, meer onderzoeksmiddelen en vergelijkingsmateriaal. Vervolgens zette hij de deur voor een zelf onderzoekende rechter weer op een kiertje door aan te geven dat, zij het alleen in het geval als de beschikking daartoe aanleiding gaf, nader onderzoek door de rechter noodzakelijk zou kunnen zijn. Zijn inschatting was evenwel dat slechts wanneer er zeer beperkt nader onderzoek noodzakelijk was, hierin door de rechtbank zou worden voorzien en dat het in andere gevallen in de rede lag om het besluit te vernietigen en het bestuur te verzoeken een nieuw besluit te nemen dat de geconstateerde gebreken ondervangt.[16]

In de visie van Teeven was er een oorzakelijk verband tussen de mate van intensiteit van de rechterlijke toetsing en de wijze waarop het bestuur het asielverzoek had onderzocht en in het asielbesluit had gemotiveerd. Als uit de besluitvorming afdoende naar voren kwam dat het bestuur het asielrelaas indringend had onderzocht en de motivering op relevante punten inzichtelijk was, zou naar zijn idee van een terughoudende rechterlijke toetsing nog wel degelijk sprake kunnen zijn. Volgens Teeven was dit ook zichtbaar in de jurisprudentie van het EHRM, waar het geen aanleiding ziet de toetsing van de geloofwaardigheid over te doen als het asielrelaas op nationaal niveau grondig is onderzocht en uitvoerig is gemotiveerd. Teeven verwees daarbij naar H. en B tegen het Verenigd Koninkrijk van 9 april 2013 (JV 2013/397), H.N. tegen Zweden van 15 mei 2012 (nr. 30720/09) en Husseini tegen Zweden van 13 oktober 2011 (JV 2012/2). Voor zover de nationale autoriteiten tekort waren geschoten in hun onderzoek dan wel hun motivering, zou het EHRM minder terughoudend toetsen, aldus Teeven, en hij verwees daarbij naar het arrest M.A. tegen Zwitserland van 18 oktober 2014 (nr. 52589/13)[17].

Teeven mag zijn handen dichtknijpen dat de eerstelijnsrechters in zijn woorden niet direct aanleiding hebben gezien om asielbesluiten, ook daar waar het de geloofwaardigheidsbeoordeling betrof, zonder enige terughoudendheid te gaan toetsen, nu besluiten waarin het leerstuk van de positieve overtuigingskracht was toegepast weinig blijk gaven, althans op papier, van een indringend onderzoek door het bestuur naar de geloofwaardigheid van een asielrelaas. Een enkele tegenstrijdigheid, vaagheid of ongerijmdheid kon het bestuur toen namelijk al tot het standpunt leiden dat het gehele asielrelaas ongeloofwaardig was.[18] Bovendien behoeft de vergelijking die Teeven maakte met genoemde jurisprudentie van het EHRM verduidelijking, nu hij tevens van mening was dat het EHRM een andere rol heeft dan de Nederlands bestuursrechter.[19] Dus in welke zin was die jurisprudentie dan wel van belang voor de Nederlandse situatie, en meer in het bijzonder voor de vraag hoe indringend de rechter zou moeten toetsen?

Uiteindelijk koos de wetgever, die niet precies wist wat met artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedure bedoeld was, bij de implementatie van die bepaling voor een formulering die hieraan identiek is.[20] Het was aan de rechter om daar invulling aan te geven.

Een beperkte selectie uit de eerste uitspraken over artikel 83a Vw 2000[21]
Zonder andere uitspraken tekort te willen doen, beperk ik mij hier tot de uitspraak van Arnhem van 1 oktober 2015, de uitspraak van Amsterdam van 7 augustus 2015 en die van Zwolle van 14 augustus 2015. Die van Arnhem omdat dit een van de eerste uitspraken is waarin zeer uitgebreid met verwijzing naar Europese jurisprudentie de strekking van artikel 83a van de Vw 2000 wordt geïnterpreteerd en de uitspraken van Amsterdam en Zwolle omdat die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling van 13 april 2016.

Zittingsplaats Arnhem
Arnhem stelde zich in haar uitspraak van 1 oktober 2015[22] de vraag of het verrichten van een volledig onderzoek betekent dat de rechter, los van het door het bestuur verrichte onderzoek en los van de beoordeling van het bestuur (met inbegrip van de beoordeling van de geloofwaardigheid van hetgeen door de desbetreffende vreemdeling naar voren is gebracht), zelfstandig de feiten in de desbetreffende zaak moet vaststellen en een eigen beoordeling (van de geloofwaardigheid) van het asielrelaas moet geven en aan de hand daarvan moet beoordelen of terecht een verblijfsvergunning is geweigerd (‘beoordelende rechter’). Arnhem meende dat een zodanige benadering afwijkt van het Nederlands bestuursrechtelijke stelsel, waarvan het vreemdelingenrecht deel uitmaakt. In dit bestel voert het bestuur (staatssecretaris) de wet uit en is het de taak van de bestuursrechter de daartoe door de staatssecretaris genomen besluiten, indien daartegen beroep is ingesteld, op rechtmatigheid te toetsen aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden, met inachtneming van ambtshalve te toetsen voorschriften van openbare orde (‘toetsende rechter’). Voor de beantwoording van de vraag of artikel 83a van de Vw 2000 als implementatie van artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedurerichtlijn noopt tot afwijking van die toetsende rol van de bestuursrechter betrok Arnhem de rechtspraak van het HvJ EU en het EHRM, omdat uit de toelichting bij het voorstel van de Commissie (COM 2009 (554)), volgt dat artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedurerichtlijn is gebaseerd op die rechtspraak.

Volgens Arnhem volgt uit de rechtspraak van het EHRM, bijvoorbeeld de arresten van 21 januari 2011, M.S.S, tegen België en Griekenland, zaak nr. 30696, en 15 mei 2012, H.N. tegen Zweden, zaak nr. 30720/09, dat het EHRM niet zelf, los van het door de lidstaat verrichte onderzoek, de door de vreemdeling ingediende asielaanvraag onderzoekt (‘the Court does not itself examine the actual asylum applications’). Voorts geldt dat ten aanzien van de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gesteld asielrelaas, uit de rechtspraak van het EHRM is af te leiden dat ook het EHRM niet voorbij gaat aan de door de nationale autoriteiten verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling. Naar het oordeel van Arnhem volgt uit de arresten van 9 maart 2010 (R.C. tegen Zweden, zaak nr. 41827) en 28 juni 2012 (A.A. en anderen tegen Zweden, zaak nr. 14499/09), dat het EHRM als algemene regel heeft geformuleerd dat deze nationale autoriteiten het beste in staat zijn om de geloofwaardigheid van een relaas te beoordelen (‘It accepts that, as a general principle, the national authorities are best placed to asses not just the facts but, more particularly, the credibility of witnessess, since it is they who have had an opportunity to see, hear and assess the demeanour of the individual concerned’).
Arnhem geeft blijk bekend te zijn met arresten waarin het EHRM zich actiever heeft opgesteld in het onderzoek in het geval de nationale autoriteiten daarin zijn tekortgeschoten, bijvoorbeeld het arrest van 18 november 2014 (M.A. tegen Zwitserland, zaak nr. 52589/13), maar meent dat die jurisprudentie verklaard moet worden vanuit de positie die het EHRM inneemt als laatste vangnet. Anders dan de Nederlandse bestuursrechter heeft het EHRM, zo zegt zij, niet de mogelijkheid om een besluit te vernietigen indien het (feiten)onderzoek onvolledig of onzorgvuldig is geweest. Het EHRM dient in dat geval dus zelfstandig vast te stellen of uitzetting zal leiden tot schending van artikel 3 EVRM. Voor de Nederlandse bestuursrecht bestaat die noodzaak niet, aldus Arnhem.
Verder merkt Arnhem op dat het ook vanuit de systematiek van de nieuwe Procedurerichtlijn niet voor de hand ligt om aan te nemen dat de rechter een beoordelende in plaats van een toetsende rol heeft, nu daarin onderscheid wordt gemaakt tussen de autoriteit die aangewezen is voor het behandelen van verzoeken om internationale bescherming als bedoeld in artikel 4 van die richtlijn (‘beslissingsautoriteit’) en de rechterlijke instantie als bedoeld in artikel 46 van die richtlijn.

Bij de verwijzing naar voornoemde rechtspraak van het EHRM dienen naar mijn mening kanttekeningen te worden geplaatst. Dat het EHRM in het arrest van 21 januari 2011 heeft overwogen dat het niet zelf de eigenlijke asielaanvragen onderzoekt, ligt sowieso voor de hand, nu het in die zaak om de vraag ging of de overdracht van de vreemdeling van België naar Griekenland in het kader van Dublinverordening II in strijd was met artikel 3 van het EVRM. België had het asielverzoek van M.S.S. ook niet onderzocht omdat Griekenland verantwoordelijk was voor de behandeling ervan. Maar ook overigens zal het EHRM geen asielaanvragen onderzoeken, omdat het naar aanleiding van een ontvankelijke 3 EVRM-klacht onderzoekt of terugkeer naar het land van herkomst vanwege de algehele situatie dan wel vanwege persoonlijke omstandigheden een schending oplevert met de bepalingen in het EVRM. Het EHRM beoordeelt met andere woorden de (voorgenomen) uitzetting en laat zich niet uit over de vraag of een lidstaat de vreemdeling op basis van zijn asielaanvraag had moeten toelaten op grond van het Vluchtelingenverdrag of vanwege de behoeft aan subsidiaire bescherming in de zin van Richtlijn 2011/95/EU (Definitierichtlijn). Op zichzelf kunnen uit de mededeling van het EHRM, dat het niet zelf de eigenlijke asielaanvraag onderzoekt, mijns inziens dan ook geen conclusies worden getrokken over de rol die de Nederlandse bestuursrechter in asielzaken kan of heeft te vervullen.

En over de Dublinverordening gesproken: in het arrest van het HvJ EU van 21 december 2011 (N.S. en M.E. tegen respectievelijk het Verenigd Koninkrijk en Ierland, zaak nrs. C-411/10 en C-493/10), overweegt het Hof in paragraaf 94 juist dat “It follows from the foregoing that in situations such as that at issue in the cases in the main proceedings, to ensure compliance by the European Union and its Member States with their obligations concerning the protection of the fundamental rights of asylum seekers, the Member States, including the national courts, may not transfer an asylum seeker to the ‘Member State responsible’ within the meaning of Regulation No 343/2003 where they cannot be unaware that systemic deficiencies in the asylum procedure and in the reception conditions of asylum seekers in that Member State amount to substantial grounds for believing that the asylum seeker would face a real risk of being subjected to inhuman or degrading treatment within the meaning of Article 4 of the Charter.‘’

Woltjer merkt naar aanleiding van dit arrest op dat de vaststelling dat de feiten erop duiden dat sprake is van een reëel risico een verantwoordelijkheid is van de lidstaten, waaronder begrepen de nationale rechterlijke instanties.[23] Volgens Woltjer is deze toevoeging van belang, omdat het HvJ EU daarmee aangeeft dat de nationale rechter niet alleen moet beoordelen of de betreffende autoriteiten gevolg hebben gegeven aan hun vergewisplicht, maar ook zelf moeten beoordelen of sprake is van een reëel risico in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 EU-Handvest. Woltjer neemt aan dat het HvJ EU zich daarbij voorstelt dat het aan de over te dragen asielzoeker is om de feiten aan te brengen waarop het reële risico zou zijn gebaseerd en dat het HvJ EU er niet vanuit gaat dat de rechter ambtshalve onderzoekt of er feiten zijn die daarop duiden.
Is deze veronderstelling van Woltjer wel juist? Evenzeer kan worden betoogd dat het HvJ EU te kennen geeft dat het van de nationaal rechtelijke instanties verlangt dat zij ambtshalve op de hoogte zijn van de situatie van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in de ontvangende lidstaat. En is deze lezing van het arrest niet beter in te passen in de jurisprudentie van het EHRM, daar waar het aangeeft op de hoogte te zijn van de situatie in een bepaald land en/of de netelige positie waarin specifieke groepen zich bevinden?[24] Van de andere kant is het zo dat de vreemdeling een stelplicht heeft en het dus in de eerste plaats aan hem is om aannemelijk te maken dat hij internationale bescherming behoeft. Bovendien toetst de Nederlandse bestuursrechter binnen de grenzen van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 83 van de Vw 2000. In die zin is moeilijk voorstelbaar dat de nationale rechter actuele informatie in het geding betrekt die niet door partijen is ingebracht. Het EHRM wil echter duidelijk een actievere, meer onderzoekende, rol van de nationale rechter.[25]

Verder zijn bij de verwijzing van Arnhem naar de arresten R.C. tegen Zweden en A.A. en anderen tegen Zweden vraagtekens te plaatsen. Het is juist dat het EHRM in die arresten heeft gezegd dat de nationale autoriteiten het beste in staat zijn om de geloofwaardigheid van een relaas te beoordelen, maar het EHRM verstaat onder de nationale autoriteiten tevens de nationale rechters. Dit blijkt mede uit het feit dat het EHRM zegt dat de nationale autoriteiten het beste in staat zijn om meer in het bijzonder de geloofwaardigheid van getuigen (‘witnesses’) te onderzoeken, hetgeen bij uitstek een taak is voor de rechter. Buiten dat is een concrete aanwijzing hiervoor te vinden in bijvoorbeeld het arrest I. tegen Zweden van 5 september 2013 (zaak nr. 61204/09), waarin het EHRM het heeft over zowel de ‘Migration Board’ als de ‘Migration Court’ als nationale autoriteiten.[26] Zo ook in het arrest H.N. tegen Zweden van 15 mei 2012 waarnaar Arnhem heeft verwezen.[27]
Bovendien mag in dit verband niet onvermeld blijven dat Baldinger[28] van mening is dat de arresten R.C. tegen Zweden en Singh en anderen tegen België[29] duidelijk hebben laten zien dat de nationale autoriteiten, inclusief de rechter, serieus en zorgvuldig moeten kijken naar bewijs dat is ingediend door de asielzoeker. Wanneer dat bewijs vragen oproept, dan moeten de nationale autoriteiten, inclusief de rechters, proberen om daarop antwoord te krijgen door onderzoeksbevoegdheden in te zetten. Dit geldt, aldus Baldinger, vooral wanneer nader onderzoek op eenvoudige wijze kan worden verricht, zoals het geval was in de zaak Singh en anderen tegen België. Baldinger wijst erop dat de nationale autoriteiten in die zaak eenvoudig bij de UNHCR navraag hadden kunnen doen naar de betekenis van de door verzoekers ingebrachte kopieën van documenten van de UNHCR waarbij verzoekers waren erkend als vluchteling.[30]

Naar mijn mening dient uit de zaken waarin het EHRM (meer) afstand houdt ten aanzien van de geloofwaardigheidsbeoordeling door een verdragspartij, veeleer te worden afgeleid dat het EHRM dat alleen doet als het van oordeel is dat (ook) het onderzoek door de nationale rechter grondig is geweest.

Arnhem liet zich tevens uit over de vraag met welke intensiteit de bestuursrechter het oordeel van het bestuursorgaan over de geloofwaardigheid moet toetsen. Arnhem wees er nogmaals op dat artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedurerichtlijn is gebaseerd op de rechtspraak van het HvJ EU en het EHRM. Zij geeft aan dat het HvJ EU in het arrest van 28 juli 2011 (Samba Diouf, zaak nr. C-69/10) over de intensiteit van de toetsing heeft overwogen dat de redenen op grond waarvan de beslissingsautoriteit het asielverzoek als ongegrond heeft afgewezen, door de nationale rechter grondig kunnen worden getoetst (‘thorough review’). Naar het oordeel van de rechtbank is uit de rechtspraak van het EHRM af te leiden dat, gegeven de onomkeerbaarheid van de situatie die zou kunnen ontstaan indien een vreemdeling bij terugkeer slachtoffer wordt van een behandeling waartegen artikel 3 van het EVRM bescherming beoogt te bieden, artikel 13 van het EVRM vereist dat de ‘domestic authorities’ een grondig onderzoek (‘rigorous scrutiny’) moeten uitvoeren naar het asielverzoek, Volgens Arnhem volgt hieruit dat, waar het gaat om de intensiteit van de toetsing van het asielbesluit, de rechtbank indringender dan voorheen de beoordeling door het bestuursorgaan van de geloofwaardigheid moet toetsen. Voor de mate van indringendheid van die toets blijft naar het oordeel van Arnhem van belang dat, zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 januari 2003[31] het bestuursorgaan beter dan de rechter in staat is om die beoordeling te verrichten, gegeven de bij het bestuursorgaan bestaande kennis en ervaring. Dit brengt met zich dat de toetsing door de bestuursrechter van de geloofwaardigheidsbeoordeling indringender dient te zijn naarmate die beoordeling in mindere mate specifieke kennis en ervaring vereist.

Arnhem heeft het over een indringender toets, maar zegt niet of dat ten aanzien van alle aspecten van de geloofwaardigheidsbeoordeling door het bestuur een enigszins terughoudende toets of een volle toets betekent. Uit de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2003 zou men wellicht verwachten dat rechtbank Arnhem onder alle omstandigheden opteert voor een enigszins terughoudende toets, maar niets is minder waar. In de uitspraak overweegt zij dat het bestuur ‘terecht’ van belang heeft geacht dat de verklaringen van de vreemdeling waar zij is geboren niet overeenkomen met de vermelding op het klantformulier dat zij is geboren in Khartoum. Waarschijnlijk toetst Arnhem dit standpunt van het bestuur vol omdat voor de vaststelling van een tegenstrijdigheid geen specifieke kennis en ervaring is vereist die het bestuur wel en de rechter niet heeft.
De volle toetsing van het standpunt van het bestuur dat sprake is van tegenstrijdige verklaringen of verklaringen die niet overeenkomen met de inhoud van de documenten die door de vreemdeling zijn overgelegd, is overigens geen noviteit. De rechtspraak van voor de implementatie van de nieuwe Procedurerichtlijn (20 juli 2015) en de invoering van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling (1 januari 2015) liet soms op dat punt al de meest indringende vorm van rechterlijke toetsing zien, zelfs in het geval het bestuur een asielrelaas niet geloofwaardig achtte omdat het positieve overtuigingskracht miste.[32]

Zittingsplaats Amsterdam en zittingsplaats Zwolle
De uitspraak van de voorzieningenrechter Amsterdam van 7 augustus 2015[33] en de uitspraak van Zwolle van 14 oktober 2015[34] hebben geleid tot de Afdelingsuitspraken van 13 april 2016. In de Amsterdamse zaak ging het om een Cubaanse verpleegkundige die in het kader van een overeenkomst tussen de Cubaanse regering en de regering in Qatar was gaan werken. Hij verklaarde dat hij zijn post had verlaten omdat hij veel moest werken en cursussen moest volgen en maar net genoeg verdiende om in zijn levensonderhoud te voorzien en een beetje geld naar zijn familie in Cuba te sturen. Hierdoor had hij, zo stelde hij, een politiek probleem, dat alleen maar groter was geworden doordat hij in Nederland asiel had aangevraagd. De Cubaanse regering zou hem zien als antirevolutionair. Volgens de vreemdeling vormde het feit dat zijn werkvergunning was geannuleerd een bewijs van het ontslag. De staatssecretaris achtte niet geloofwaardig dat de vreemdeling ontslag had genomen in Qatar en dat hij (al) bij vertrek in de negatieve aandacht stond van de overheid van Cuba.

De voorzieningenrechter heeft het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Aan die gegrondverklaring ligt onder meer het volgende ten grondslag. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vreemdeling uitgebreid en gedetailleerd heeft verklaard en alle vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord. De enige tegenstrijdigheid die de staatssecretaris aan de vreemdeling heeft tegengeworpen, zijn de verklaringen over enerzijds het op vakantie gaan en gaan reizen voor een nieuw contract, tegenover anderzijds de gestelde ontslagname van de vreemdeling. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de vreemdeling geen aannemelijke uitleg heeft gegeven over zijn verklaring dat hij op vakantie ging en zijn vermoeden dat de werkvergunning in zijn paspoort is geannuleerd. De voorzieningenrechter overweegt dat de vreemdeling op de vraag waarom hij niet met zekerheid kan vertellen waarom de werkvergunning is geannuleerd, uit zichzelf het volgende heeft verklaard; “Dat paspoort zie ik alleen wanneer ik Cuba verlaat en wanneer ik hier kom. Ik heb bovendien mijn post verlaten.” Vervolgens blijft de vreemdeling in de daarop volgende vragen antwoorden dat hij definitief zijn post heeft verlaten en dat dit de reden is waarom hij in Nederland asiel aanvraagt. Daar komt verder bij dat de vreemdeling in de correcties en aanvullingen op het eerste gehoor, in het nader gehoor en in de zienswijze al heeft verklaard dat hij vanwege het harde werken ook wel op vakantie wilde en hij in juli 2015 ook in aanmerking zou komen voor vakantie. De verklaring van de vreemdeling dat hij dacht dat de Qatarese autoriteiten nog niet van zijn informele ontslagname op de hoogte waren en dat hij daarom speculeerde dat vakantie wellicht de reden voor de annulering was, komt de voorzieningenrechter dan ook niet vreemd voor. Volgens de voorzieningenrechter is verder niet in geschil dat de vreemdeling in het nader gehoor zijn ontslagname handhaaft en hierover in het nader gehoor eenduidig en consistente verklaringen heeft afgelegd.

De staatssecretaris is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan. Volgens hem brengt het volledig en ex nunc onderzoek met zich dat er een volle toetsing van zijn geloofwaardigheidsoordeel dient plaats te vinden. Wel blijft zijn beoordeling van de geloofwaardigheid in zoverre leidend, dat deze het subject van de toetsing door de rechter zal zijn en de rechter geen (geheel) eigen beoordeling van de geloofwaardigheid zal verrichten, parallel aan zijn beoordeling. Indien de rechter vaststelt dat het geloofwaardigheidsoordeel geen stand kan houden en hij, de staatssecretaris, tekort is geschoten in het onderzoek dan wel de motivering, betekent dit niet dat daarmee de rechter direct een geheel eigen beoordeling van de geloofwaardigheid geeft, dan wel vaststelt dat het asielrelaas geloofwaardig is. De rechter zal de zaak dan in beginsel dienen terug te verwijzen naar de staatssecretaris om de besluitvorming over te doen. Volgens de staatssecretaris wordt hiermee voldoende recht gedaan aan het uitgangspunt dat de rechter een toetsende in plaats van een beoordelende rol heeft. De staatssecretaris meent in zijn eerste grief dat de voorzieningenrechter ten onrechte een eigen oordeel over de door de vreemdeling afgelegde verklaringen tijdens het eerste en nader gehoor, in de plaats heeft gesteld van het oordeel van de staatssecretaris. In de optiek van de staatssecretaris heeft de voorzieningenrechter ten onrechte de rol van beoordelende rechter op zich genomen en zich niet beperkt tot het toetsen van zijn standpunt. De tweede grief van de staatssecretaris behelst – kort gezegd – dat zelfs als de gestelde ontslagname van de vreemdeling geloofwaardig was geacht, dit niet tot een ander standpunt had kunnen leiden en dat de voorzieningenrechter dit heeft miskend.

In de Zwolse zaak betrof het een vreemdeling die onder andere stelde dat hij bij terugkeer naar Afghanistan voor eerwraak te vrezen heeft vanwege een relatie met zijn nicht. Volgens hem waren zijn twee huwelijksaanzoeken door haar vader en broers afgewezen vanwege onenigheid tussen beide families. De staatssecretaris stelde zich op het standpunt dat de vreemdeling inconsequente en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn gestelde relatie, het incident in de boomgaard en de bedreiging door familie.

Zwolle toetst de geloofwaardigheidsbeoordeling van het bestuur met betrekking tot de gestelde vrees voor eerwraak vol en komt alles overziend en tegen elkaar afwegend tot de conclusie dat de relatie en het incident in de boomgaard terecht ongeloofwaardig zijn geacht door de staatssecretaris.
Zwolle is onder meer van oordeel dat de staatssecretaris terecht heeft opgemerkt dat van iemand die stelt lange tijd een relatie te hebben gehad met een meisje, onder de door de vreemdeling geschetste omstandigheden, mag worden verwacht dat hij meer kan vertellen dan over uiterlijke kenmerken en in algemene beschrijvingen. Verder is Zwolle van oordeel dat de staatssecretaris terecht bevreemdend heeft geacht dat de vreemdeling niet op zijn minst bij benadering weet hoeveel schoten er in de boomgaard zijn gelost en er terecht de vinger op heeft gelegd dat de vreemdeling niet naar het meisje heeft omgekeken na het gestelde incident en niet bij zijn oom naar haar heeft geïnformeerd.
De vreemdeling is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan.

Toetsende rechter in plaats van een beoordelende rechter
In de Amsterdamse zaak gaat de Afdeling in haar uitspraak van 13 april 2016, met zaaknummer 201506502/1/V2, in op de vraag of artikel 83a van de Vw 2000 dwingt tot het oordeel dat de Nederlandse bestuursrechter de bevoegdheid heeft om, in afwijking van de algemeen Nederlandse bestuursrechtelijke uitgangspunten, een eigen oordeel te geven over de door een vreemdeling in het kader van zijn asielaanvraag gestelde feiten en daarmee over de geloofwaardigheid van een asielrelaas, en dus om zijn oordeel in de plaats te stellen van dat van de staatssecretaris. Volgens de Afdeling is de uitleg die de nationale wetgever aan artikel 83a van de Vw 2000, en daarmee aan artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedurerichtlijn heeft gegeven, niet leidend. Bij de uitleg van de tekst van artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedurerichtlijn is een vergelijking van de verschillende taalversies vereist, moet verder rekening worden gehouden met de overige bepalingen, de context, en de doelstellingen van de nieuwe Procedurerichtlijn, waarbij ook de totstandkomingsgeschiedenis van de richtlijn kan worden betrokken.

Naar het oordeel van de Afdeling blijkt uit de tekst ‘volledig en ex nunc onderzoek in artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedurerichtlijn niet of daarmee is beoogd dat de bestuursrechter zijn oordeel over de geloofwaardigheid van een asielrelaas in de plaats moet kunnen stellen van dat van de staatssecretaris. Uit het systeem van de nieuwe Procedurerichtlijn volgt dat het de taak van de beslissingsautoriteit is om, met de van hem geëiste deskundigheid en de waarborgen waarmee de bestuurlijke procedure is omgeven, een besluit te nemen op een verzoek om internationale bescherming. In dat systeem bestaat de rechterlijke taak uit een onderzoek naar de bestuurlijke besluitvorming dat alle vragen van zowel feitelijke aard als rechtsvragen kan omvatten. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar punt 57 van het arrest van het HvJ EU van 28 juli 2011, C-69/10, Samba Diouf (ECLI:EU:C:211:524). Het systeem van de nieuwe Procedurerichtlijn dwingt er echter niet toe, aldus de Afdeling, dat de bestuursrechter zelf een asielverzoek beoordeelt zoals de beslissingsautoriteit dat volgens die richtlijn doet. In dat systeem toetst de bestuursrechter het door de beslissingsautoriteit genomen besluit op rechtmatigheid. Het is aan de beslissingsautoriteit om een standpunt in te nemen over de geloofwaardigheid van een asielrelaas. Dit standpunt wordt door de bestuursrechter getoetst.

De Afdeling vervolgt dat met artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedurerichtlijn aansluiting is gezocht bij de rechtspraak van het HvJ EU over het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest), en daarmee ook bij de rechtspraak van het EHRM over de artikelen 6 en 13 van het EVRM. Volgens de Afdeling volgt dat ook uit de totstandkomingsgeschiedenis van de nieuwe Procedurerichtlijn (zie COM (2009) 554 definitief, blz. 6, 8 en 9). Uit de rechtspraak volgt niet dat de bestuursrechter zijn oordeel over de geloofwaardigheid van een asielrelaas in de plaats moet kunnen stellen van dat van een bestuursorgaan. De Afdeling wijst in dat verband ter vergelijking naar de punten 33 tot en met 36 van het arrest van het HvJ EU 21 januari 1998, C-120/97, Upjohn (ECLI:EU:C:1999:14); paragraaf 153 van het arrest van het EHRM van 21 juli 2011, Sigma Radio Television tegen Cyprus, nrs. 32181/04 en 35122/05 (ECLI:CE:ECHR:2011:0721JUD003218104); en paragraaf 78 van het arrest van het EHRM van 6 maart 2001, Hilal, nr. 45276/99 (ECLI:CE:ECHR:2001:0306JUD004527699).
De Afdeling laat weten dat het feit dat het EHRM soms een andere benadering kiest en op basis van een eigen onderzoek en beoordeling zijn oordeel in de plaats stelt van dat van de nationale autoriteiten, zoals bijvoorbeeld blijkt uit paragrafen 70 tot en met 80 van het arrest van het EHRM van 18 december 2012 in de zaak F.N. tegen Zweden, nr.28774/09 (ECLI:CE:ECHR:2012:1218JUD002877409), haar niet tot een ander oordeel leidt. Volgens de Afdeling is de positie van het EHRM niet vergelijkbaar met die van een nationale rechter. Het beoordeelt in een voorkomend geval zelfstandig of zich naar de laatste stand van zaken een reëel risico op een schending van artikel 3 van het EVRM voordoet. Het heeft, anders dan de Nederlandse bestuursrechter, niet de mogelijkheid een besluit op een motiveringsgebrek of zorgvuldigheidsgebrek te vernietigen en een verdragsluitende staat te verplichten met inachtneming van zijn uitspraak een nieuw besluit te nemen.[35]

Met de Afdeling ben ik van mening dat er inderdaad een verschil is tussen de Nederlandse bestuursrechter en het EHRM. De Nederlandse bestuursrechter toetst desgevraagd een besluit van de staatssecretaris. Dit doet hij in beginsel aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die bekend waren ten tijde van het nemen van het besluit (ex tunc)[36]. Het EHRM daarentegen toetst geen bestuursbesluit, maar het beoordeelt zelf of een (voorgenomen) verwijdering in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De processuele context is anders en hetgeen ter toetsing voorligt verschilt.[37] Bij de Nederlandse bestuursrechter is dat het besluit omtrent toelating en bij het EHRM is dat de (voorgenomen) verwijdering. Het EHRM betrekt daarbij ook feiten en omstandigheden, waaronder bewijsstukken, die zijn opgekomen na afsluiting van de nationale procedure en waarmee het bestuur en de nationale rechter gewoonweg geen rekening hebben kunnen houden.[38]

Het is denk ik door dit verschil dat de Afdeling in deze uitspraak van 13 april 2016 niet heeft verwezen naar de arresten R.C. tegen Zweden en A.A. en anderen tegen Zweden, waarnaar Arnhem wel heeft verwezen in zijn uitspraak van 1 oktober 2015 en waaruit Arnhem concludeert dat (ook) het EHRM niet altijd zelf de feiten en de geloofwaardigheid onderzoekt in asielzaken. Ik sluit niet uit dat de Afdeling vindt dat uit die arresten op zichzelf niets is af te leiden, omdat het EHRM soms wel daarnaar onderzoek doet vanwege haar specifieke rol. De Afdeling verwijst in ieder geval naar andere arresten, te weten Upjohn, Sigma Radio Television tegen Cyprus en Hilal.

In de zaak Upjohn ging het om het besluit van 9 juni 1993 van de Licensing Authority en als Licensing Authority gezamenlijk bevoegde ministers om alle vergunning voor het in de handel brengen (VHB) van het geneesmiddel Triazolam met onmiddellijke ingang in te trekken. Farmaceutisch bedrijf Upjohn had op 31 augustus 1993 bij het High Court beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beslissing van 8 juni 1993. In die procedure stelde Upjohn dat vóór elk onderzoek ten gronde het Hof van Justitie moest worden verzocht om aanwijzingen over de wijze waarop de nationale rechterlijke instanties de zaak moesten onderzoeken. Het High Court vond dit niet noodzakelijk. Producent Upjohn ging in hoger beroep. Het Court of Appeal stelde prejudiciële vragen. Het Hof van Justitie stelde dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenste te vernemen of richtlijn 65/65/EEG en het gemeenschapsrecht in het algemeen de lidstaten verplichten een procedure in te voeren voor de rechterlijke toetsing van nationale beslissingen tot intrekking van VHB’s voor farmaceutische specialiteiten, zodat de bevoegde nationale rechters hun beoordeling van de feiten, met name van de wetenschappelijke bewijzen tot staving van de intrekkingsbeslissing, in de plaats kunnen stellen van die van de nationale instanties die voor de intrekking van VHB’s bevoegd zijn. Het Hof van Justitie beantwoordt die vraag ontkennend, omdat het gaat om ingewikkelde medisch-farmacologische beoordelingen. Wel moet elke nationale procedure voor de rechterlijke toetsing van beslissingen van nationale instanties tot intrekking van VHB’s, de rechter bij wie beroep tot nietigverklaring van een dergelijke beslissing is ingesteld, in staat stellen in het kader van de wettigheidstoetsing van die beslissing de relevante beginselen en regels van het gemeenschapsrecht daadwerkelijk toe te passen.

In de zaak Sigma Radio Television tegen Cyprus oordeelde het EHRM dat artikel 6 van het EVRM niet vereist dat de nationale rechter (in specialistische zaken) zijn oordeel in de plaats kan stellen van dat van de bestuurlijke autoriteiten. Het EHRM overweegt: “Both the Commission and the Court have aknowledged in their case-law that the requirement that a court or tribunal should have ‘full jurisdiction’ will be satisfied where it is found that the judicial body in question has exercised ‘sufficient jurisdiction’ or provided ‘sufficient review’ in the proceedings before it (…). It can be derived from the relevant case-law that it is not the role of Article 6 of the Convention to give access to a level of jurisdiction which can substitute for that of the administrative authorities on grounds of ‘expediency’ and which often involve specialised areas of law (…).”

In de zaak Hilal kwam de vraag aan de orde of sprake is van een effectief rechtsmiddel als de nationale rechter zich bij een gestelde schending van artikel 3 van het EVRM geen eigen oordeel vormt over de geloofwaardigheid van hetgeen door de asielzoeker aan de aanvraag ten grondslag is gelegd, maar zich beperkt tot een toetsing van de beoordeling door het bestuursorgaan daarvan. Het EHRM heeft overwogen dat een rechtsmiddel effectief is als de gestelde schending van artikel 3 van het EVRM bij een rechter aan de orde kan worden gesteld, die zorgvuldig toetst of een uitzetting een risico oplevert van inhumaan gedrag of onmenselijke behandeling en die het besluit kan vernietigen op de grond dat het besluit, alle omstandigheden in aanmerking genomen, in redelijkheid niet kon worden genomen.[39]

Men zou de Afdeling kunnen tegenwerpen dat de arresten Upjohn en Sigma Radio Television niet zien op asielzaken, maar op zaken waar specialistische kennis voor nodig is of door het bestuur politieke en economische keuzes worden gemaakt, maar dit neemt niet weg dat er geen jurisprudentie is uit Straatsburg of Luxemburg die zegt dat de nationale rechter in asielzaken zijn oordeel in de plaats moet kunnen stellen van dat van het bestuursorgaan, omdat anders geen sprake is van een daadwerkelijk rechtsmiddel of een eerlijk proces. Voor het in de plaats stellen van een eigen oordeel bestaat in Nederland ook geen noodzaak omdat de rechter een besluit kan vernietigen.

Waar het wat mij betreft om gaat is dat de verantwoordelijkheid voor het onderzoek naar een verzoek om internationale bescherming, de beoordeling van de inwilligbaarheid ervan en de uiteindelijke beslissing bij de beslissingsautoriteiten, in dit geval bij de staatssecretaris, ligt. Dit is niet alleen in lijn met de nieuwe Procedurerichtlijn, maar volgt ook uit de Vw 2000. Het is niet aan de Nederlandse bestuursrechter om een beslissing te nemen op een asielverzoek. De rechter is ook geen verantwoording schuldig aan het democratisch gekozen parlement dat wel het bestuur controleert en ter verantwoording kan roepen naar aanleiding van individuele zaken of meer in het algemeen over het te voeren restrictieve toelatingsbeleid met inachtneming van de relevante mensenrechtenverdragen. Bovendien verricht de staatssecretaris de geloofwaardigheidsbeoordeling op basis van zijn beleid[40], de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, en acht hij zich daaraan gebonden. Een rechter hoeft zich daar niet door gehinderd te voelen. Daarbij komt dat de rechter niet over voldoende tijd, middelen en mogelijkheden beschikt om zelf, parallel aan het onderzoek van het bestuur, de asielmotieven in een individuele zaak te achterhalen en te onderzoeken op aannemelijkheid. En wat als de rechter dat wel zou kunnen en tot een andere beslissing komt dan het bestuur? Wie heeft dan gelijk? De rechter, omdat hij vindt dat zijn onderzoek grondiger is geweest, in de veronderstelling verkeert dat hij er het meeste verstand van heeft en sowieso het laatste woord heeft? En zou de Afdeling op haar beurt kunnen zeggen dat zij heel anders denkt over bijvoorbeeld de aannemelijkheid van de verklaringen van de asielzoeker dan de andere rechter en dat zij het bij het rechte eind heeft omdat zij nationaal gezien de hoogste rechter is dus echt het allerlaatste woord heeft?

Dit laat niettemin wat mij betreft ruimte voor een rechter die zich ter zitting actief en onderzoekend opstelt daar waar nog onduidelijkheden bestaan, mits hij daarbij in zijn uitspraak het standpunt van het bestuur betrekt. Het doen van eenvoudig nader onderzoek lijkt me evenmin een afgesloten weg als het onderzoek van de staatssecretaris niet helemaal volledig is geweest.[41] Ofschoon vernietiging van een bestuursbesluit op grond van een zorgvuldigheidsgebrek en terugverwijzing naar de staatssecretaris misschien het meest voor de hand ligt, kan niet worden uitgesloten dat de rechter met het oog op finale geschillenbeslechting en vanwege het feit dat hij net zo snel als of vanwege zijn functie sneller dan de staatssecretaris bepaalde informatie boven tafel kan krijgen, bij een derde verzoekt om meer inlichtingen.[42] En wanneer de rechter die informatie vervolgens voorlegt aan partijen en hen verzoekt daarop te reageren en de rechter die standpunten betrekt bij zijn rechterlijk oordeel, zonder zijn oordeel in de plaats te stellen van dat van het bestuur, is daar dan iets mis mee, Afdeling? Een onderzoekende rechter hoeft toch nog geen beoordelende rechter te betekenen?

Maar wat als de rechter, los van partijen, vaststelt dat het bestuur op grond van de gestelde feiten, niet alle relevante elementen dan wel de vreemdeling betreffende individuele omstandigheden heeft onderkend in het asielrelaas of daarop niet heeft doorgetoetst? Dient de rechter daarbuiten te blijven, omdat hij anders buiten de omvang van het geschil treedt?
Zo kan zich bijvoorbeeld de situatie voordoen dat een asielzoeker aanvoert dat de zichtbare littekens op zijn lichaam aantonen dat zijn verhaal waar is. De staatssecretaris zou zich echter gemotiveerd op het standpunt kunnen stellen dat die littekens niet kunnen zijn veroorzaakt binnen de door de vreemdeling gegeven context, omdat zijn verklaringen ongeloofwaardig zijn. Het bestaan van de littekens wordt niet betwist, maar de staatssecretaris laat zich niet uit over de vraag of die littekens op zichzelf nog een gevaar opleveren bij terugkeer naar het land van herkomst.

In het arrest van het EHRM van 5 september 2013 in de zaak I. tegen Zweden (61204/09)[43] is het EHRM het eens met de nationale autoriteiten dat de vreemdelingen er niet in zijn geslaagd aannemelijk te maken dat zij bij terugkeer naar de Russische Federatie vanwege de door een van de vreemdelingen gestelde journalistieke activiteiten een reëel 3 EVRM-risico lopen. Het EHRM geeft evenwel aan dat het zich bewust is van het feit dat mensen die terugkeren naar de Russische Federatie slachtoffer kunnen worden van onmenselijke behandeling door de Federale veiligheidsdienst, lokale autoriteiten of criminele organisaties. Verder overweegt het dat bij de risico-inschatting alle relevante factoren moeten worden meegewogen. Het EHRM stelt uit zichzelf vast dat de Zweedse Migration Board en de Zweedse Migration Court, dus bestuur en rechter, geen afzonderlijke onderzoek hebben gedaan naar de vraag of de vreemdeling vanwege zijn zichtbare littekens op zijn lichaam een specifiek risico loopt bij terugkeer. Volgens het EHRM zijn er gegronde redenen om dit risico aan te nemen. Het EHRM komt naar mijn mening niet tot die conclusie op basis van feiten en/of informatie waarmee de nationale autoriteiten geen rekening hadden kunnen houden.

In het arrest van het EHRM van 23 maart 2016 in de zaak F.G. tegen Zweden (43611/11)[44] ging het om een vreemdeling uit Iran die stelde daar actief te zijn geweest voor de oppositie en te zijn bekeerd tot christen na aankomst in Zweden. De vreemdeling verklaarde in zijn eerste procedure dat hij zijn bekering niet als asielgrond beschouwde, maar als een privéaangelegenheid. Het asielverzoek werd door Zweden afgewezen omdat de Zweedse immigratiedienst van mening was dat het politieke verleden de vreemdeling niet in gevaar zou brengen en hij geen risico liep op vervolging vanwege het privé belijden van zijn geloof. De beroepsrechter liet de gestelde bekering volledig buiten beschouwing. In de procedure tegen de handhaving van zijn uitzettingsbevel beriep de vreemdeling zich wel uitdrukkelijk op zijn bekering, maar de Zweedse autoriteiten beschouwen dit niet als een nieuw opgekomen feit. Het EHRM overweegt dat het in beginsel aan de asielzoeker is om zo snel als mogelijk zijn redenen voor zijn verzoek om bescherming naar voren te brengen. Volgens het EHRM zijn er echter omstandigheden waaronder de autoriteiten, derhalve zowel bestuur als nationale rechter(s), uit eigen beweging een onderzoek moeten instellen naar het risico dat de vreemdeling loopt als hij wordt uitgezet. Het EHRM overweegt dat,“(…) considering the absolute nature of the rights guaranteed under Articles 2 and 3 of the Convention, and having regard to the position of vulnerability that asylum seekers often find themselves in, if a Contracting State is made aware of facts, relating to a specific individual, that could expose him to a risk of ill-treatment in breach of the said provisions upon return to the country in question, the obligations uncumbent on the States under Articles 2 and 3 of the Convention entail that the authorities carry out an assessment of that risk of their own motion.”

De Afdeling verklaart de uitkomst van dit arrest vanuit de andere positie die het EHRM heeft, zijnde dat het EHRM geen besluit kan vernietigen zoals de bestuursrechter[45], maar ziet eraan voorbij dat de Zweedse autoriteiten van het EHRM alsnog ex nunc moeten onderzoeken of uitzetting een schending betekent van de artikelen 2 en 3 van het EVRM vanwege de bekering. In feite wijst het EHRM de zaak dus terug vanwege een zorgvuldigheidsgebrek. Het lijkt mij dat het EHRM hiermee een duidelijk signaal heeft willen afgeven: de onderzoeksplicht ligt bij de nationale autoriteiten en die mogen hun rol niet te beperkt opvatten, niet alleen vanwege het absolute verbod van refoulement, maar ook omdat de werklast van het EHRM anders almaar groter zou worden. De houding van de nationale rechter moet steeds zijn dat hij het laatste vangnet is.

Indien beide arresten worden toegepast op het voorbeeld dat ik gaf, betekent dit dat de nationale rechter niet blind kan zijn voor het feit dat de asielzoeker littekens heeft, en dat dit bijvoorbeeld in combinatie met andere factoren, bijvoorbeeld het feit dat de asielzoeker tot een bepaalde groep behoort, en in het licht van wat bekend mag worden verondersteld over de behandeling die ex-asielzoekers bij terugkeer naar dat land te verwachten hebben van de zijde van de autoriteiten aldaar, een voorzienbaar 3 EVRM-risico kan betekenen. Het is dan aan de rechter om eigener beweging (own motion) de zaak om die reden terug te sturen naar de staatssecretaris omdat deze elke twijfel dient weg te nemen aangaande dit relevante element of deze risicofactor. De nationale rechter mag er niet op inzetten dat de asielzoeker in kwestie het bestaan van de littekens zelf nog in verband brengt met artikel 3 van het EVRM als zijn uitzetting aanstaande is dan wel daarover nog kan klagen bij het EHRM. De nationale rechter dient zich in dezen, indien nodig, actief op te stellen en heeft als nationaal hoeder van het absolute verbod van refoulement een zorgplicht voor asielzoekers die zich al in een kwetsbare positie bevinden.[46] En is dit ook niet wat is bedoeld in artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedurerichtlijn met “(…) indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU”? Dat is een passage in die bepaling waar tot op heden niet of nauwelijks aandacht voor is geweest.

Benieuwd hoe de Afdeling hierover in de toekomst in een voorkomend geval zal oordelen. Zal zij van mening zijn dat de rechter in dat geval buiten de omvang van het geschil treedt of zal zij, voornoemde jurisprudentie van het EHRM indachtig, oordelen dat de feiten zijn gesteld en dat de rechtbank op goede gronden aanleiding heeft gezien om te onderzoeken of de staatssecretaris bij de afwijzing van de asielaanvraag artikel 3 van het EVRM in acht heeft genomen?[47]

Verder blijft onduidelijk wanneer de Afdeling van oordeel is dat de rechter zijn oordeel in de plaats stelt van dat van de staatssecretaris. De Afdeling zegt in de Amsterdamse zaak dat de rechtbank heeft overwogen waarom de staatssecretaris het besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd, dat zij het besluit heeft vernietigd en de staatssecretaris heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat zij heeft overwogen. Dat de rechtbank daarbij een oordeel heeft gegeven over de door de staatssecretaris aan zijn standpunt ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, betekent niet, aldus de Afdeling, dat zij haar eigen oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas in de plaats heeft gesteld van dat van de staatssecretaris. De eerste grief van de staatssecretaris faalt. De Afdeling gaat vervolgens, om voor mij onbegrijpelijke redenen, volledig voorbij aan de tweede grief.
Nu had de voorzieningenrechter Amsterdam onder meer geoordeeld dat hem de verklaringen van de vreemdeling, dat hij dacht dat de Qatarese autoriteiten nog niet van de informele ontslagname op de hoogte waren en dat hij daarom speculeerde dat vakantie wellicht de reden voor ontslag was, niet onaannemelijk voor kwamen. Geeft de rechter hiermee dan niet zijn eigen oordeel over de geloofwaardigheid? Waarin verschilt deze zaak van de zaken waarin de Afdeling uitspraak deed op 27 september 2013[48] en 3 december 2012[49]?

Het is voor de rechter te hopen dat de Afdeling bij de toepassing van haar in de uitspraak van 13 april 2016 (zaaknummer 201506502/1/V2) uiteen gezette lijn snel meer houvast biedt.

De indringendheid van de toetsing
In de Zwolse zaak is de Afdeling in haar uitspraak van 13 april 2016, (zaaknummer 201507952/1/V2) ingegaan op de intensiteit van de rechterlijke toetsing met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling door de staatssecretaris. De uitspraak kent min of meer dezelfde opbouw als de hiervoor besproken uitspraak van gelijke datum.
De Afdeling motiveert uitvoerig waarom de rechterlijke toetsing van het standpunt van de staatssecretaris over de geloofwaardigheid van een asielrelaas een gemengd karakter heeft, als het asielrelaas van een vreemdeling mede op niet met bewijs gestaafde verklaringen en vermoedens steunt. Bij de meeste aspecten en bestanddelen van een besluit mag de bestuursrechter van de Afdeling (vol) toetsen of de staatssecretaris zich terecht op het door hem ingenomen standpunt heeft gesteld. Maar als de staatssecretaris op aspecten en bestanddelen beslissingsruimte heeft, en de Afdeling ziet die ruimte bij de beoordeling door de staatssecretaris van niet met bewijs gestaafde verklaringen en vermoedens van een vreemdeling, zal de rechter (enigszins terughoudend) moeten toetsen of de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas ongeloofwaardig is, zij het dat de bestuursrechter ook in dat geval de zorgvuldigheid en motivering van de besluitvorming moet toetsen.

Aangezien het HvJ EU in eerdergenoemd arrest Samba Diouf heeft geoordeeld dat de nationale rechter de redenen op grond waarvan de beslissingsautoriteiten het asielverzoek heeft afgewezen, grondig kan toetsen, is het interessant om te zien op grond waarvan de Afdeling van oordeel is dat de rechterlijke toetsing toch enigszins terughoudend moet zijn als het gaat om niet met bewijs gestaafde verklaringen en vermoedens van de vreemdeling.

De Afdeling overweegt dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van de staatssecretaris van de niet met bewijs gestaafde verklaringen en vermoedens, een mede op zijn ervaringsgegevens gebaseerde, vergelijkenderwijs gemaakte inschatting is of het door een vreemdeling gestelde daadwerkelijk is gebeurd, doordat het door een vreemdeling in zijn asielrelaas gestelde vaak niet te verifiëren is. Volgens de Afdeling werkt dit door in de positie van de bestuursrechter in dergelijke asielzaken. Omdat de bestuursrechter in asielzaken van een vreemdeling niet kan verlangen dat hij zijn stellingen in rechte met bewijs staaft, verschilt zijn positie van die van de bestuursrechter in het algemeen. Omdat de staatssecretaris noch de bestuursrechter zekerheid heeft, of kan verkrijgen over het waarheidsgehalte van wat een vreemdeling heeft verklaard, is deze beoordeling in asielzaken geen ‘simple matter of the fact’. Ter vergelijking verwijst de Afdeling naar paragraaf 46 van het arrest van het EHRM van 14 november 2006 in de zaak Tsfayo tegen het Verenigd Koninkrijk.[50] De Afdeling merkt daarbij op dat de bestuursrechter ook niet beter dan de staatssecretaris in staat is om deze beoordeling te verrichten.[51] Door zijn positie in het bestuursrechtelijk stelsel ziet de bestuursrechter bovendien een beduidend kleinere hoeveelheid zaken en toetst hij in de regel slechts die besluiten waarbij de staatssecretaris de aanvraag heeft afgewezen. De Afdeling is om genoemde redenen van oordeel dat de staatssecretaris beslissingsruimte heeft waar het gaat om de beoordeling van niet gestaafde verklaringen en vermoedens van een vreemdeling. Dat het in asielzaken gaat om een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming en dat de fundamentele mensenrechten in het geding zijn, maakt niet, aldus de Afdeling, dat de bestuursrechter beter dan de staatssecretaris in staat is om het onderzoek naar, en de beoordeling van, niet te verifiëren verklaringen van een vreemdeling te verrichten, en dat de staatssecretaris dus geen beslissingsruimte zou moeten hebben.

Deze overwegingen van de Afdeling verdienen enige nuancering. Dat de staatssecretaris als bestuursorgaan meer asielzaken ziet dan de rechterlijke macht is juist op macroniveau. Op microniveau zal de bestuursrechter doorgaans echter meer asielzaken zien dan een beslisambtenaar van de IND. Wel blijft het dan nog steeds zo dat de bestuursrechter slechts een bepaalde selectie uit de zaken ziet, veelal afwijzingen en soms niet of nauwelijks gemotiveerde inwilligingen als de asielzoeker doorprocedeert voor een andere verleningsgrond. Door de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling begint de rechter wel enig inzicht te krijgen in wat een beslismedewerker van de IND wel en niet geloofwaardig acht. Uiteraard moet de bestuursrechter er daarbij wel op bedacht zijn dat bepaalde relevante elementen uit pragmatische overwegingen (vooralsnog) geloofwaardig worden geacht door de beslismedewerker namens de staatssecretaris. Maar zelfs dan ziet de rechter af en toe besluiten voorbijkomen die de burger weinig moed geven.[52]
Het is zeer de vraag of de beslismedewerker intern wordt gecontroleerd als hij een aanvraag inwilligt dan wel afwijst en of hij ervan op de hoogte is wat zijn collega’s doen in soortgelijke zaken. Indien die intercollegiale toets en controle van bovenaf niet plaatsvindt, is het gevaar dat de beslismedewerker vast blijft zitten aan zijn eigen referentiekader en alleen vergelijkt wat hij al eerder in soortgelijke zaken heeft beslist.

In dit verband mag niet onvermeld blijven dat de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) in zijn advies van mei 2016[53] aan de staatssecretaris schrijft dat bij een professioneel beoordelingsproces ook intercollegiale toetsing en monitoring door leidinggevenden hoort. Volgens de ACVZ zou meer gebruikgemaakt kunnen worden van directe terugkoppeling. Sommige vertegenwoordigers van de IND hebben de ACVZ erop gewezen dat het per team verschilt of en in welke mate collegiale toetsing plaatsvindt. Volgens de IND is het hierbij soms zo dat de medewerker zelf een collega mag uitkiezen waarmee hij of zij de collegiale toetsing doet. De keuze valt vaak op een “gelijkdenkende”. De ACVZ is van mening dat een dergelijke informele wijze van invulling van intervisie niet kritisch is en tekortschiet om de subjectiviteit te beperken en bewustwording daaromtrent te scherpen.[54]

Het is te hopen dat de staatssecretaris dit advies opvolgt, omdat de ACVZ zegt dat het risico bestaat dat asielmedewerkers in het algemeen eigen ongeschreven ‘kennis’ ontwikkelen over de beoordeling van de geloofwaardigheid van asielrelazen, die niet voldoende ter discussie wordt gesteld of gecorrigeerd. Het gevaar is dan, zo stelt ook de ACVZ, dat door een vreemdeling gestelde gebeurtenissen die niet in het referentiekader van de beslismedewerker passen eerder als ongeloofwaardig worden afgedaan. In de visie van de ACVZ kan hier ook tegenwicht aan worden geboden door het bevorderen van een open houding van de IND-medewerker en het zoveel mogelijk objectiveren van de beslissing.[55] De ACVZ adviseert tevens dat de beslismedewerker termen als ‘ongerijmd’, ‘vaag’ en ‘bevreemdingwekkend’ zou moeten vermijden.[56]
De ACVZ bedoelt hier waarschijnlijk mee dat door in een motivering expliciet te maken waarom een verklaring ‘vreemd’ is, duidelijk wordt welke overtuiging de beslismedewerker tot die conclusie leidde, wat weer beter te toetsen is door de asielzoeker en de rechter.

Ondanks vorenstaande kanttekeningen blijft mijns inziens staan dat het tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en niet die van de rechter behoort om de geloofwaardigheidsbeoordeling te maken. De rechter, eveneens behept met een zeker referentiekader, is in zijn algemeenheid ook niet beter dan de staatssecretaris (beslismedewerker) in staat om uit te maken wat wel en wat niet geloofwaardig is. De rechter kan de waarheid evenmin boven tafel krijgen, omdat concrete bewijzen in asielzaken veelal ontbreken en het veelal om een ‘aannemelijkheidsbeoordeling’ aankomt. In dit licht begrijp ik het standpunt van de Afdeling dat de rechter, uiteraard met inachtneming van de beroepsgronden, op sommige aspecten van de door de staatssecretaris verrichtte geloofwaardigheidsbeoordeling een heel klein stapje terug doet, zij het steeds met een constructief-kritische grondhouding. De kwestie is wel hoe de rechter dat moet doen. Hoe ziet een toetsing eruit als die niet marginaal maar ook niet vol is? De toetsing is dus niet of de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de niet gestaafde verklaringen en vermoedens niet aannemelijk zijn en is ook niet of de staatssecretaris zich terecht op dat standpunt kon stellen, maar zit daar ergens tussenin. Het zal daarom soms voelen als balanceren op een dun koord, maar het is te doen.[57] Als men kijkt naar hoe de Afdeling zelf haar lijn toepast in de Zwolse zaak, komt men evenwel niet veel verder. Volgens de Afdeling heeft Zwolle de toetsing van het standpunt van de staatssecretaris over de niet gestaafde verklaringen van de vreemdeling verricht op de door haar, de Afdeling, beschreven wijze. Edoch, is de Zwolse rechter wel enigszins terughoudend als hij overweegt dat de staatssecretaris terecht bevreemdend heeft geacht dat de vreemdeling niet op zijn minst bij benadering weet hoeveel schoten er in de boomgaard zijn gelost? Maakt het dan niet uit of de rechter vol of enigszins terughoudend toetst zolang hij maar niet zijn oordeel in de plaats stelt van dat van de staatssecretaris?

Zelf denk ik dat het op zichzelf geen halszaak is als in de uitspraak niet op de juiste wijze de termen ‘terecht’ of ‘niet ten onrechte’ zijn gebruikt om de toetsingsintensiviteit weer te geven, ofschoon velen die uitspraken in asielzaken schrijven zich daar soms het hoofd over zullen breken. Belangrijker is dat de rechter in asielzaken in zijn uitspraken laat zien wat hij precies doet. Dit biedt niet alleen duidelijkheid aan partijen, maar geeft de Afdeling de mogelijkheid om daar in een voorkomend geval iets van te vinden en de lijn wellicht wat scherper te trekken. Het kostuum dat de asielrechter van de Afdeling heeft gekregen is fraai van snit, maar nog niet basic fit. Aan de rechter om daar waar nodig aan rechtsvorming te doen, en dat is voor juristen een van de mooiste dingen aan het recht.

Epiloog
Op 15 november 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak een viertal uitspraken gedaan waarin zij het door haar voorgestane toetsingskader voor de bestuursrechter en de beslissingsruimte voor de staatssecretaris nader preciseert.[58]

In de uitspraak met zaaknummer 201508427/1/V2, ECLI:NL:RVS:2016:3007, oordeelt de Afdeling dat de staatssecretaris terecht klaagt dat de rechtbank haar eigen oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas in de plaats heeft gesteld van zijn oordeel, omdat de rechtbank heeft overwogen dat het asielrelaas volgens haar niet ongeloofwaardig is en dat het innerlijk consistent is en strookt met de algemene situatie in Sudan. Het hoger beroep dat door de staatssecretaris is ingesteld is daarom kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd De Afdeling toetst vervolgens het besluit van de staatssecretaris in het licht van de daartegen in eerste instantie aangevoerde beroepsgronden.

De staatssecretaris heeft blijkens zijn besluit ongeloofwaardig geacht dat de vreemdeling in militaire dienst is geweest en als gevolg daarvan de door hem gestelde problemen heeft ondervonden. Aan dit standpunt heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de verklaringen van de vreemdeling, dat hij geen militaire basistraining heeft hoeven doorlopen, tegenstrijdig is met informatie uit de algemene ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Sudan van april 2010 en juni 2011.

Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit deze ambtsberichten niet dat iedere Sudanees die in dienst gaat zonder meer een militaire basistraining doorloopt. Volgens de Afdeling heeft de staatssecretaris zich daarom, zonder nader onderzoek of nadere toelichting, ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de vreemdeling op dit punt tegenstrijdig zijn met voormelde ambtsbericht. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar de onder 7.1. van de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:890, vermelde toetsingsmaatstaf.

De Afdeling is evenwel van oordeel dat de staatssecretaris er niet ten onrechte op heeft gewezen dat het bevreemdt dat de vreemdeling geen begin- of einddatum van zijn militaire dienst kan noemen, terwijl die data volgens de vreemdeling juist de aanleiding voor het handgemeen met zijn leidinggevende waren en daarmee voor zijn gestelde problemen. In dat verband heeft de staatssecretaris betrokken dat de vreemdeling de rang van zijn leidinggevende niet kan benomen en niet kan zeggen in welk legeronderdeel hij heeft gediend. De staatssecretaris heeft er voorts op gewezen dat de vreemdeling summier heeft verklaard over zijn detentie, omdat hij geen enkele naam van een medegevangene of bewaker kan noemen en evenmin een indicatie kan geven waar de gevangenis zich bevond, terwijl hij ook heeft verklaard dat hij ruim twee jaar is gedetineerd en de gevangenis in die periode meermalen heeft verlaten. In dat verband heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling eveneens summier heeft verklaard over de werkplaats van waaruit hij is ontsnapt, aldus de Afdeling. Dit leidt de Afdeling tot de slotsom dat de staatsecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig is. De Afdeling verklaart het door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond.

In de uitspraak met zaaknummer 20508429/1/V2, ECLI:NL:RVS:2016:3008, buigt de Afdeling zich over de zaak van de echtgenote van bovenbedoelde vreemdeling. De Afdeling komt eveneens tot het oordeel dat de staatssecretaris terecht klaagt dat de rechtbank haar eigen oordeel over de geloofwaardigheid in de plaats heeft gesteld van zijn oordeel, omdat de rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris het asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht en de vreemdeling volgens haar wél innerlijk consistent en aannemelijk heeft verklaard over hetgeen haar is overkomen. De Afdeling verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende hetgeen de rechtbank had moeten doen, heeft de Afdeling het besluit van de staatsecretaris getoetst in het licht van de daartegen in eerste instantie aangevoerde beroepsgronden.

De Afdeling overweegt dat met de uitspraak van diezelfde datum, ECLI:NL:RVS:2016:3007, in rechte is komen vast te staan dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van de echtgenoot van de vreemdeling ongeloofwaardig is. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat die ongeloofwaardigheid afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de vreemdeling, omdat zij aan haar asielrelaas ten grondslag heeft gelegd, onverbrekelijk samenhangt met het asielrelaas van haar echtgenoot. De staatssecretaris heeft er voorts terecht op gewezen dat de vreemdeling tegenstrijdig heeft verklaard over het gestelde bezoek van de Sudanese veiligheidsdienst, omdat zij tegenstrijdig heeft verklaard over de datum waarop dit bezoek plaatsvond en over wat tijdens dit bezoek is meegenomen. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar de onder 7.1. van de uitspraak van 13 april 2016, ECLI:NL:RVSD:2016:890, vermelde toetsingsmaatstaf.
De Afdeling overweegt vervolgens dat de staatssecretaris verder heeft betrokken dat de vreemdeling vrijwel niets heeft kunnen verklaren over de gestelde ontvoering, zoals kenmerken van de locatie waar zij werd vastgehouden, het aantal ontvoerders of waarom zij na een dag weer is vrijgelaten. Volgens de Afdeling heeft de staatssecretaris er ten slotte terecht op gewezen dat de stelling van de vreemdeling dat zij dusdanig was getraumatiseerd dat zij niet in staat was volledig te verklaren, geen steun vindt in het advies van MediFirst en ook anderszins niet aannemelijk is geworden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de staatssecretaris zich derhalve niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig is.

In de uitspraak met zaaknummer 201508677/1/V2, ECLI:NL:RVS:2016:3009, buigt de Afdeling zich over de grief van de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid, reeds omdat hij een door de vreemdeling overgelegd vonnis van de Revolutionaire rechtbank in Iran niet op authenticiteit heeft laten onderzoeken. De grief slaagt. De Afdeling overweegt dat de waarde die – gelet op de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling van een asielrelaas – aan een door een vreemdeling overgelegd document toekomt, immers dient te worden bezien in het licht van de – overige – door die vreemdeling afgelegde verklaringen en het asielrelaas als geheel, tegen de achtergrond van wat algemeen bekend is over de situatie in diens land van herkomst. De Afdeling wijst ter vergelijking naar haar uitspraken van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3652, 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:89-0, en 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVSL:2016:2853. Een dergelijke toetsing heeft de rechtbank niet verricht, aldus de Afdeling.
De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en de Afdeling toetst het besluit van de staatssecretaris in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden.

In zijn besluit heeft de staatssecretaris ongeloofwaardig geacht dat de vreemdeling door een onbekende man in opdracht van haar voormalig schoonvader is mishandeld. Hij acht vooral ongeloofwaardig dat de vreemdeling niet direct bij het koffiehuis heeft afgesproken, maar bij die man in de auto is gestapt om vervolgens samen met hem naar dat koffiehuis te rijden. De door de vreemdeling voor die gedraging gegeven verklaring, dat zij vooraf meermalen contact met die man heeft gehad en dat zij op neutraal terrein was, heeft de staatssecretaris niet gevolgd. Volgens de staatssecretaris doet een dergelijke gedraging afbreuk aan de geloofwaardigheid van het gehele asielrelaas, omdat die gedraging in de sociale en culturele situatie in Iran zeer ongebruikelijk en daarom niet aannemelijk is.[59]

De Afdeling is van oordeel dat de staatssecretaris, zonder nadere motivering, niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat voormelde gedraging dusdanig bevreemdingwekkend is dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas als geheel. De tegenwerping is niet van dien aard dat een nadere motivering achterwege kon blijven. Dat de staatssecretaris bij de beoordeling van niet met bewijs gestaafde verklaringen beslissingsruimte heeft, laat onverlet dat hij de manier waarop hij deze ruimte gebruikt van een deugdelijke en voor de bestuursrechter controleerbare motivering moet voorzien. Die motivering stelt de bestuursrechter in staat om een grondige toetsing te verrichten (zie punt 56 van het arrest van het Hof van Justitie van 28 juli 2011, Samba Diouf, ECLI:EU:C:2011:524, en paragraaf 84 van het arrest van het EHRM van 23 augustus 2016, J.K. tegen Zweden, ECLI:CE:ECHR:2016:0823JUD0059166120). Volgens de Afdeling heeft de staatssecretaris een dergelijke motivering in deze zaak niet gegeven. Hij heeft immers zijn standpunt niet op een voor de bestuursrechter controleerbare wijze gerelateerd aan bij hem bekende bronnen met algemene en specifieke informatie over de situatie in Iran, of aan zijn ervaringen met de beoordeling van de geloofwaardigheid van vergelijkbare asielrelazen van andere vreemdelingen. De Afdeling verwijst daarbij naar hetgeen zij onder 8. en 8.3 heeft overwogen in haar uitspraak van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:890. De Afdeling verklaart het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigt het besluit van de staatsecretaris uitspraak.

In de uitspraak met zaaknummer 201605720/1/V2, ECLI:NL:RVS:2016:3010, laat de Afdeling zich uit over de stelling van de staatssecretaris dat rechtbank ten onrechte haar eigen oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas in de plaats heeft gesteld van dat van hem, en niet heeft onderkend dat hij bij zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas beslissingsruimte heeft. De Afdeling volgt de staatssecretaris hierin niet. Volgens de Afdeling maakt de omstandigheid dat de rechtbank bij haar toetsing een oordeel heeft gegeven over de door de staatssecretaris gegeven motivering op zichzelf niet dat de rechtbank haar eigen oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas in de plaats heeft gesteld van dat van de staatssecretaris. Anders dan het geval was in de uitspraken van gelijke datum in zaken nrs. ECLI:NL:RVS:2016:3007 en ECLI:NL:RVS:2016:3008, heeft de rechtbank in deze zaak niet overwogen dat het asielrelaas wel geloofwaardig is, maar, aldus de Afdeling, louter het standpunt van de staatssecretaris daarover getoetst. De omstandigheid dat de staatssecretaris bij de beoordeling van niet met bewijs gestaafde verklaringen beslissingsruimte heeft, maakt niet dat hij zonder meer in zijn standpunt over die verklaringen moet worden gevolgd. Die omstandigheid laat onverlet dat de manier waarop de staatssecretaris zijn beslissingsruimte gebruikt van een deugdelijke en voor de bestuursrechter controleerbare motivering moet voorzien (de Afdeling verwijst naar paragraaf 8.3 van haar uitspraak van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:890). Die motivering stelt e bestuursrechter in staat een grondige toetsing te verrichten (de Afdeling verwijst naar eerdergenoemde arresten Samba Diouf en J.K. tegen Zweden). Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank een dergelijke toetsing verricht. Dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zijn standpunt niet deugdelijk heeft gemotiveerd maakt daarom op zichzelf niet dat zij haar toetsing niet met inachtneming van die beslissingsruimte heeft verricht, aldus de Afdeling. De aangevallen uitspraak wordt door de Afdeling bevestigd.

Stijn Smulders[60]

[1] Dat is althans de Nederlandse vertaling van artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedurerichtlijn.
[2] Afdeling 13 april 2016, zaaknummers 201506502/1/V2 en 201507952/1/V2 (ECLI:NL:RVS:2016:891 en ECLI:NL:RVS:2016:890).
[3] Mr. K.E. Geertsema: “De nieuwe rechterlijke toetsing asiel”, A&MR 2016, Nr. 5, p. 230-235.
[4] Mr. M. Reneman, AB 2016/196, noot onder de uitspraken van de Afdeling van 13 april 2016.
[5] In haar artikel “Herziene Procedurerichtlijn vereist intensievere toetsing in asielzaken” van 13 april 2016, dat is te vinden op Verblijfblog, schrijft Reneman dat een Nederlandse rechtbank of een rechter in een andere lidstaat alsnog kan besluiten dergelijke vragen naar het HvJ EU te verwijzen.
[6] Dr. S. Kok, JV 2016/194, noot onder de uitspraken van de Afdeling van 13 april 2016.
[7] De vraag is dan wel wat onder ‘feiten’ moeten worden verstaan want in asielzaken heb je meestal geen vaststaande feiten, maar gaat het om door de vreemdeling gestelde feiten.
[8] Mr. H.G. Lubberdink, lid van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, JNVR 2014/35, waar een bewerking is te vinden van zijn inleiding bij dit symposium.
[9] Zie bijvoorbeeld de verwijzing naar haar uitspraak van 15 maart 2012, zaaknummer 20110369/1/V1, waarin de Afdeling al geoordeeld had dat de rechter vol mag toetsten of de tegenstrijdigheden, vaagheden, en bevreemding wekkende verklaringen betrekking hebben op essentiële onderdelen van een asielrelaas.
[10] Bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 3 juni 2016,  zaaknummer 16/49 (ECLI:NL:RBGEL:2016:2960) en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 25 juli 2016, zaaknummer 16/14469 (ECLI:NL:RBLIM:2016:6386).
[11] Zie voor een beschrijving van het wetgevingsproces ook dr. M.H.A Strik en prof. mr. A.B. Terlouw: “Gevolgen van herziene Procedurerichtlijn voor rechterlijke toets in asielzaken – Geloofwaardigheidsbeoordeling wordt voortaan vol en ex nunc getoetst”, A&MR 2015, Nr. 7, p. 248-257.
[12] Memorie van toelichting bij het conceptwetsvoorstel, p.27.
[13] Idem.
[14] Memorie van toelichting bij het conceptwetsvoorstel, p. 28.
[15] Kamerstukken II, 2014-2015, 34 088, nr. 3, p. 31.
[16] Kamerstukken II, 2014-2015, 34 008, nr. 6, p. 29.
[17] Kamerstukken II, 2014-2015, nr. 6, p. 29-30.
[18] Zie voor meer hierover het artikel “De POK is dood, lang leve de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling”, JNVR 2015/8.
[19] Na de verwijzing naar de arresten liet Teeven immers meteen weten dat de rechtbank, anders dan het EHRM, de mogelijkheid heeft om de zaak terug te verwijzen naar de Minister om de besluitvorming over te doen en dat hiermee volgens hem recht werd gedaan aan het uitgangspunt dat de rechter een toetsende in plaats van een beoordelende rol heeft, Kamerstukken II, 2014-2015, 34 088, nr. 6, p. 30.
[20] Uiteindelijk is de redactie van artikel 83a Vw 2000 niet helemaal identiek aan die van artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedurerichtlijn, zoals K. Geertsema terecht opmerkt in haar artikel “Toetsen of beoordelen, indringend of enigszins terughoudend – wat moet de rechter in asielzaken?”, Journaal Vreemdelingenrecht 2015/4. Artikel 46 lid 3 van de nieuwe Procedurerichtlijn heeft het over ‘een daadwerkelijk rechtsmiddel’ dat een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feiten als de juridische gronden omvat, terwijl artikel 83a Vw 2000 bepaalt ‘dat de toetsing van de rechtbank’ een volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden omvat.
[21] Zie voor een uitgebreider overzicht van de eerste jurisprudentie op dit punt ook het in noot 9 genoemde artikel van mr. K. Geertsema.
[22] Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 1 oktober 2015, zaaknummers 15/1527 en 15/15274 (ECLI:NL:RBDHA:2015:11350).
[23] Noot A. Woltjer onder het arrest van 21 december 2011, EHRC 2012, 36.
[24] Zie bijvoorbeeld EHRM 5 september 2013, zaak nr. 61204, in de zaak I. tegen Zweden (JV 2013/374). Hierin overweegt het EHRM in paragraaf 58 het volgende: “Having regard to its case-law concerning disappearances and ill treatment in Chechnya (…) and having regard on the recent information on the human rights and security situation in Chechnya, he Court is well aware (onderstreping S.) of on-going disappearances, of arbitrary violence, of impunity and ill treatment in detention facilities, notably with regard to certain categories of people, such as former rebels, their relatives, political adversaries of Ramsan Kadyvov, journalists, human rights activists and individuals who have lodged complaints with international organisations. The Court is also aware of the reported interrogations of returnees and of harassment and possible detention and ill treatment by the Federal Security Service or local law-enforcement officials and also by criminal organisations (…)”
[25] EHRM 23 maart 2016 in de zaak F.G. tegen Zweden, paragrafen 126 en 127 (JV 2016/132 met noot van prof. mr. T.P. Spijkerboer).
[26] EHRM 5 september 2013 (JV 2013/374), paragrafen 64 en 67.
[27] EHRM 15 mei 2012, zaak nr. 30720/09. Hierin overweegt het EHRM onder andere het volgende: “The Court first notes that the applicant was heard by both the Migration Board and the Migration Court, that his claims were carefully examined by these instances and that they delivered decisions containing extensive reasons for her conclusions. The Court finds, in agreement with the Swedish authorities, that there are credibility issues with regard to the applicant’s statements.”
[28] Mr. dr. A. Baldinger “Rigorous scrutiny versus marginal review, standards on judicial scrutiny and evidence in international and European asylum law”, april 2013, samenvatting proefschrift (elektronische versie).
[29] EHRM 2 oktober 2012, zaaknummer 33210/11.
[30] UNHCR-rapport Global Consultations on International Protection / Third Track: Asylum Processes (Fair and Efficient Asylum Procedures) van 31 mei 2001 (EC/GC/01/12).
[31] Afdeling 27 januari 2003, zaaknummer 200206297/1 (AB 2003/286).
[32] Bijvoorbeeld rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, 13 december 2013, zaaknummer 12/33727 (ECLI:NL:RBOBR:2013:6886). In rechtsoverweging 20 oordeelt de rechtbank dat verweerder (het bestuur) zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er verschil zit tussen een nieuwsbericht uit 2012 en de verklaringen van de vreemdeling.
[33] Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, 7 augustus 2015, zaaknummers 15/12919 en 15/12918 (ECLI:NL:RBDHA:2015:9791).
[34] Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, 14 oktober 2015, zaaknummer 15/17328 (ECLI:NL:RBOVE:2015:4643). Deze uitspraak heeft in het zoeksysteem Porta Iuris overigens als uitspraakdatum 15 oktober 2015.
[35] Zie echter EHRM 23 maart 2016 in de zaak F.G. tegen Zweden (JV 2016/132), waarin het de zaak teruggeeft aan de Zweedse autoriteiten om alsnog (ex nunc) onderzoek te doen naar de door de Iraanse vreemdeling gestelde bekering tot het christendom.
[36] Zij het dat hij op grond van artikel 83 van de Vw 2000 zoveel als mogelijk rekening houdt met feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd.
[37] Zie tevens prof. mr. T.P. Spijkerboer in zijn noot onder de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2016, zaaknummers 200602132/1 en 200602135 (JV 2006/290).
[38] Maar let wel: het EHRM toetst zelf ook niet op het moment dat de verwijdering daadwerkelijk plaatsvindt. Tussen een arrest en de daadwerkelijk uitzetting kunnen de omstandigheden zodanig veranderen dat de uitspraak van het EHRM alweer is achterhaald.
[39] Zie paragraaf 77 van het arrest Hilal
[40] Openbare werkinstructie 2014/10 en WBV 2014/36.
[41] Vergelijk rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, 5 augustus 2015, zaaknummers 15/13636 en 15/13637 (ECLI:NL:RBLIM:2015:6679).
[42] Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan inlichtingen van een ambassade, uitleg van de UNHCR over de erkenning van een vreemdeling als vluchteling, of het inschakelen van een onafhankelijke deskundige als een vreemdeling concrete aanknopingspunten aandraagt waarom het deskundigenbericht waar de staatssecretaris op vaart, ondeugdelijk of niet volledig is.
[43] EHRM 5 september 2013(EHRC 2013/255 met noot mr. dr. M. den Heijer).
[44] EHRM 23 maart 2016 (ECLI:CE:ECHR:2016:0323JUD004361111). Zie ook JV 2016/132 , met noot van prof. mr. T.P. Spijkerboer.
[45] Zie rechtsoverweging 5.5 van de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016, zaaknummer 201506502/1/V2.
[46] Vergelijk voorzieningenrechter Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, 29 april 2015, zaaknummer 15/5902 (ECLI:NL:RBOBR:2015:2560), waarin de voorzieningenrechter oordeelde dat de staatssecretaris zich in zijn algemeenheid niet heeft uitgelaten over de vraag of verzoeker als Tibetaan die elders asiel heeft aangevraagd bij terugkeer naar China een 3 EVRM-risico loopt.
[47] Vergelijk Afdeling 26 juli 2004, zaaknummer 200402288/1 (ECLI:NL:RVS:2004:AQ9845).
[48] Afdeling 27 september 2013, zaaknummer 201208530/1/V3 (ECLI:NL:RVS:2013:1379), rechtsoverwegingen 2.5 en 2.6.
[49] Afdeling 3 december 2012, zaaknummer 201211078/1/V3 (ECLI:NL:RVS:2013:2351), rechtsoverwegingen 2.5 en 2.6.
[50] EHRM 14 november 2006, nr. 60860/00 (ECLI:CE:ECHR:2006:1114JUD006086000).
[51] Merk het verschil op met de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2003 (AB 2003, 286), waarin de Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris meer dan de bestuursrechter in staat is om de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas vergelijkenderwijs en geobjectiveerd te verrichten.
[52] Zie bijvoorbeeld de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 12 augustus 2016, zaaknummer 16/15481 (ECLI:NL:RBOBR:2016:4392), waarin de staatssecretaris de door de vreemdeling opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk acht en daarbij opmerkt dat de Koninklijke Marechaussee na onderzoek heeft geconcludeerd dat de door de vreemdeling overgelegde taskera hoogstwaarschijnlijk niet echt is.
[53] Advies ACVZ “De geloofwaardigheid gewogen – een advies over het onderzoek, integraal beoordelen en toetsen van verklaringen in de asielprocedure”, mei 2016.
[54] Advies ACVA, p. 56.
[55] Advies ACVZ, p. 48.
[56] Advies ACVZ, p. 62. De ACVZ doet overigens geen suggestie welke termen dan wel gebruikt zouden kunnen worden.
[57] Mooi voorbeeld is de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 31 januari 2014, zaaknummer 12/33794 (ECLI:NL:RBOBR:2014:418), waaruit blijkt dat de staatssecretaris zich op het standpunt had gesteld dat de vreemdeling niet duidelijk had gemaakt wat zijn innerlijke motivatie was om zich te verzetten tegen een huwelijk die past in de zeer traditionele cultuur van Afghanistan en de rechtbank oordeelt dat de vreemdeling steekhoudende argumenten heeft aangevoerd waarom dit standpunt onvoldoende is gemotiveerd.
[58] Afdeling 15 november 2016, zaaknummers 201508427/1/V2 (ECLI:NL:RVS:2016:3007), 201508429/1/V2 (ECI:NL:RVS:2016:3008), 201508677/1/V2 (ECLI:NL:RVS:2016:3009) en 201605720/1/V2 (ECLI:NL:RVS:2016:3010).
[59] Cursivering Stijn.
[60] Mr. A.A.M.J. (Stijn) Smulders is stafjurist bij de rechtbank Oost-Brabant en rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank Limburg (Roermond). Dit artikel is qua inhoud en strekking nagenoeg identiek aan het artikel met dezelfde titel dat is verschenen in het Journaal Vreemdelingenrecht november 2016, nr. 3 (Sdu). Wat in ieder geval anders is, is de toevoeging van een epiloog omdat zich nadat het artikel is aangeboden aan het JNVR ontwikkelingen hebben voorgedaan. Onder dankzegging aan mr. B.J. Groothedde, mr. F.T.H. Langeweg en mr. A.F.C.J. Mosheuvel voor hun commentaar.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s