Waar zullen medische 3 EVRM-aspecten in een asielzaak worden gewogen?

Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)[1] volgt dat uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dringende redenen van humanitaire aard, bij gebreke aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, in strijd kan zijn met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Lange tijd werd aangenomen dat van uitzonderlijke omstandigheden slechts sprake was als de betrokken vreemdeling leed aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium.
In het arrest van het EHRM van 13 december 2016 in de zaak Paposhvili tegen België[2] is door de Grote Kamer evenwel een ruimere uitleg gegeven over welke omstandigheden als zo bijzonder kunnen worden gekwalificeerd dat sprake kan zijn van een schending van artikel 3 van het EVRM bij verwijdering van een ernstig zieke vreemdeling. Op de reikwijdte en de betekenis van dit arrest zal hier niet worden ingegaan, nu dat al door Wegelin[3] en Meyjer[4] is gedaan. Waar wel bij zal worden stilgestaan is de vraag waar medische aspecten in het licht van de jurisprudentie van het EHRM in een asielzaak zullen worden gewogen.

In het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)?
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatssecretaris) toetste medische aspecten tot voor kort (ook) bij de toelatingsgrond als genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, van de Vw 2000. Dat wil zeggen dat de staatssecretaris meende dat hij in dat geval een asielvergunning voor bepaalde tijd kon verlenen aan de vreemdeling die aannemelijk had gemaakt dat hij gegronde redenen had om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit folteringen, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing[5].

Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2 van de Vw 2000 veronderstelt actief handelen door de Staat of door derden jegens de vreemdeling in kwestie waartegen de autoriteiten in het land van herkomst niet of onvoldoende optreden. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft in zijn arrest van 18 december 2014 in de zaak M’Bodj tegen de Belgische Staat[6] geoordeeld dat de lidstaten geen subsidiaire bescherming mogen toekennen aan een derdelander ten aanzien van wie artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen verwijdering omdat hij lijdt aan een ernstige ziekte en in zijn land geen adequate behandeling voorhanden is. Dit kan slechts anders zijn indien aan de derdelander in zijn land van herkomst opzettelijk medische zorg wordt geweigerd.

Het HvJEU heeft verder in zijn arrest van 18 december 2014 in de zaak Abdida tegen de Belgische Staat[7] geoordeeld dat in de zeer uitzonderlijke gevallen waarin de verwijdering van een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, naar een land waar geen adequate behandeling beschikbaar is, het beginsel van non-refoulement schendt, artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van artikel 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zich ertegen verzet dat die lidstaten die verwijdering uitvoeren. Wanneer de uitvoering van een terugkeerbesluit meebrengt dat een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, wordt verwijderd naar een land waar geen adequate behandeling voorhanden is, kan er in bepaalde gevallen sprake zijn van schending van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn.

Eigenlijk zegt het HvJEU met deze uitspraken dat medische omstandigheden in beginsel nooit kunnen leiden tot verlening van een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, van de Vw 2000, tenzij zich het zeer uitzonderlijke geval zou voordoen dat een ernstig zieke vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst bewust (actief) medische behandeling wordt onthouden. Verder kan onder exceptionele omstandigheden verwijdering van ernstig zieke vreemdelingen in strijd zijn met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, namelijk wanneer de uitvoering van het besluit voor de derdelander een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert. Dat leidt in dat geval niet direct tot toelating, maar eerder tot een (tijdelijk) uitzettingsverbod. In dit verband kan ter vergelijking worden gewezen op het arrest van het HvJEU van 16 februari 2017 in de zaak C.K. e.a. tegen Slovenië[8]. Weliswaar gaat het arrest over overdracht in het kader van de Dublinverordening, maar naar mijn mening geldt dit evenzeer voor uitzetting van een vreemdeling naar diens het land van herkomst. Dit betekent dat de lidstaat die wil overdragen/uitzetten voorzorgsmaatregelen moet treffen die voorkomen dat de gezondheidstoestand van de vreemdeling door de overdracht/uitzetting ernstig verslechtert en dat de overdracht/uitzetting moet worden opgeschort zolang de voorzorgsmaatregelen niet volstaan om te verzekeren dat de vreemdeling geen risico loopt dat zijn gezondheidstoestand aanzienlijk en onomkeerbaar achteruitgaat. In de tussentijd zal de staatssecretaris artikel 64 van de Vw 2000 op de vreemdeling van toepassing achten. Als de uitzetting binnen een jaar niet gerealiseerd kan worden, kan de vreemdeling een aanvraag indienen voor verlening van een reguliere verblijfsvergunning omdat hij buiten zijn schuld om medische redenen niet uit Nederland kan vertrekken[9]. Dit is geregeld in paragraaf B8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), waarin de beleidsregels zijn opgenomen voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven op tijdelijke humanitaire gronden.

De staatssecretaris bleef ondanks de arresten M’Bodj en Abdida door vreemdelingen aangevoerde medische omstandigheden beoordelen in het kader van een asielvergunning. Hij voerde daarop tot voor kort ook beleid, getuige paragraaf C2/3.3 van de Vc 2000, waar het beleid inzake ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 wordt beschreven[10].

Artikel 3 van de Kwalificatierichtlijn biedt lidstaten weliswaar de mogelijkheid om gunstiger normen vast te stellen ter bepaling van wie als vluchteling of als voor subsidiaire bescherming in aanmerking komend persoon wordt erkend, maar dit kan alleen als dat verenigbaar is met deze richtlijn. Het HvJEU heeft in het arrest M’Bodj onomwonden geoordeeld dat artikel 3 van de richtlijn eraan in de weg staat dat een lidstaat bepalingen vaststelt of handhaaft op grond waarvan de in de richtlijn bepaalde subsidiairebeschermingsstatus wordt toegekend aan een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, op grond dat hij risico loopt dat zijn gezondheidstoestand verslechterd omdat in zijn land van herkomst geen adequate behandeling voorhanden is, aangezien dergelijke bepalingen niet verenigbaar zijn met de richtlijn.[11] Hoogste tijd dus voor de staatssecretaris om de besluitvorming en het beleid op dit punt aan te passen, nu de weg voor verlening van een asielvergunning door het  HvJEU al bij genoemde arresten van 18 december 2014 was afgesneden.

In het kader van de ambtshalve toets aan tijdelijke humanitaire gronden voor toelating?
De staatssecretaris kan bij de eerste afwijzing[12] van een asielaanvraag op grond van artikel 3.6a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden als bedoeld in artikel 3.48, tweede lid, onder b, van het Vb 2000.[13] Die ambtshalve bevoegdheid heeft de staatssecretaris blijkens artikel 3.6a, tweede lid, van het Vb 2000 evenwel niet als de eerste asielaanvraag niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 van de Vw 2000[14], niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a van de Vw 2000[15], of buiten behandeling is gesteld op grond van artikel 30c van de Vw 2000[16].

De IND laat ingevolge het door hem gevoerde beleid een ambtshalve toets overigens achterwege wanneer de vreemdeling een zwaar inreisverbod (artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000) of een ongewenstverklaring wordt opgelegd.[17]

De staatssecretaris kan met andere woorden nog wel ambtshalve een verblijfsvergunning regulier onder de beperking: “tijdelijke humanitaire gronden” verlenen als hij de eerste asielaanvraag van de vreemdeling afwijst als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw 2000 of als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b van de Vw 2000. In paragraaf B8 van de Vc 2000 worden de tijdelijke humanitaire gronden genoemd, waaronder de medische behandeling in paragraaf B8/9. Deze paragraaf over medische behandeling lijkt niet te zijn geschreven met de ambtshalve toets in asielzaken in het achterhoofd.

Ingevolge dit beleid dient de vreemdeling namelijk om voor een vergunning ‘humanitair tijdelijk medische behandeling’ in aanmerking te komen te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding en over voldoende middelen van bestaan. De meeste asielzoekers zullen niet (kunnen) voldoen aan die voorwaarde(n). De IND verleent echter vrijstelling van het paspoortvereiste als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • De vreemdeling verblijft in Nederland;
  • Er bestaat voldoende inzicht in de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling. De autoriteiten van het land waarvan de vreemdeling onderdaan is betwisten de identiteit en nationaliteit niet;
  • De vreemdeling toont aan dat de enige mogelijkheid voor de afgifte of verlenging van een geldig document voor grensoverschrijding vereist dat de vreemdeling in persoon terugkeert naar het land van herkomst;
  • Als gevolg van stopzetting van de medische behandeling ontstaat een medische noodsituatie; en
  • De behandeling van de medische klachten kan niet plaatsvinden in het land van herkomst.

Aan de vereisten genoemd bij de tweede bullet kan in asielzaken feite niet worden voldaan, nu de IND hangende de asielprocedure geen contact opneemt met de autoriteiten waarvoor de vreemdeling stelt te vrezen.

Verder dient, zoals gezegd, de vreemdeling te beschikken over voldoende middelen van bestaan voor de kosten van het levensonderhoud gedurende het voorgenomen verblijf in Nederland. De IND wijst de aanvraag af als de kosten die verbonden zijn aan het verblijf van de vreemdeling in Nederland in verband met de medische behandeling uit algemene middelen worden gefinancierd. De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning niet af om de reden dat de vreemdeling niet beschikt over voldoende middelen van bestaan als ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000[18]. Hiermee wordt één aaneengesloten jaar van uitstel van vertrek bedoeld.

Daarnaast bestaat op grond van paragraaf B8/4.1 van de Vc 2000 de mogelijkheid voor de IND om op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 een tijdelijke humanitaire verblijfsvergunning te verlenen aan een vreemdeling die om medische redenen niet kan vertrekken: als door Bureau Medische Advisering is vastgesteld dat de vreemdeling vanwege zijn gezondheidstoestand blijvend niet kan reizen, of is aangetoond dat de vreemdeling en de betrokken instanties alle inspanningen hebben verricht om het vertrek uit Nederland te realiseren, waaronder het verkrijgen van vervangende reisbescheiden, en gebleken is dat de voorgeschreven fysieke overdracht niet te realiseren is.

Ook deze paragraaf is niet geschreven met een ambtshalve toets in asielzaken in gedachten. Integendeel, de ambtshalve toetsing aan het buitenschuldbeleid in de asielprocedure is per 1 april 2014 komen te vervallen, nu de vereiste inspanningen voor een buitenschuldvergunning niet rijmen met de wens van de vreemdeling om in Nederland asiel te krijgen.[19] Nu zou men nog kunnen zeggen dat ook de omstandigheid dat het BMA vaststelt dat de vreemdeling vanwege zijn gezondheidstoestand blijvend niet kan reizen, dus los van de vraag of de vreemdeling alle inspanningen heeft verricht om zijn vertrek te realiseren, aanleiding kan zijn om een buitenschuldvergunning te verlenen, maar artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 wordt niet genoemd in artikel 3.6a van het Vb 2000.

In het kader van artikel 64 van de Vw 2000 of toch niet vanwege artikel 3.6b Vb 2000?
Aangezien de meeste asielzoekers niet zullen beschikken over voldoende middelen van bestaan om zelfstandig in hun levensonderhoud te voorzien en, zoals blijkt, aan het paspoortvereiste (geldig document voor grensoverschrijding) ook haken en ogen zitten, lijkt voor hen tot op heden de enige mogelijkheid te zijn om hun medische problemen succesvol naar voren te brengen in het kader van de uitzetting wegens strijd met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn[20] en/of in hun (impliciete) verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000.[21] Gelet op de huidige wet- en regelgeving zou dat naar mijn mening alleen anders kunnen komen te liggen als de staatssecretaris gebruik maakt van zijn bevoegdheid om onverminderd de artikelen 3.6 en 3.6a op grond van artikel 3.6b, aanhef en onder a, van het Vb 2000, een vergunning onder een beperking verband houdend met medische behandeling te verlenen. Mij zijn geen zaken bekend waarin de staatssecretaris van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, dan wel van gebruikmaking van die bevoegdheid expliciet heeft afgezien nadat de vreemdeling daarop een beroep had gedaan. Gelet op de brief van de staatssecretaris van 11 april 2017 ligt een resurrectie van artikel 3.6b, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 van de zijde van de staatssecretaris niet in het verschiet en zullen (onderbouwde) medische omstandigheden enkel worden beoordeeld in het kader van de uitzetting en artikel 64 van de Vw 2000.

De brief van de staatssecretaris van 11 april 2017 n.a.v. het arrest Paposhvili
De staatssecretaris heeft bij brief van 11 april 2017[22] aan de Voorzitter van de Tweede Kamer laten weten dat het in Nederland reeds staande praktijk is dat bij een afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in de meeromvattende beschikkingen door de IND beoordeeld wordt of de (onderbouwde) medische omstandigheden grond zijn voor het – tijdelijk – achterwege laten van de uitzetting (toepassing van artikel 64 van de Vw 2000). Een vreemdeling kan ook, los van een asielprocedure, een verzoek doen om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. Bij een vreemdeling die lijdt aan een ziekte waarvan vaststaat[23] dat het achterwege blijven van een behandeling binnen drie maanden zou leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade, wordt reeds thans uitzetting achterwege gelaten op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

Volgens de staatssecretaris wordt bij de beoordeling gekeken of de (noodzakelijke) medische zorg in het herkomstland beschikbaar is. Indien de medische toestand van de vreemdeling valt onder de reikwijdte van de hiervoor beschreven norm (lijdt aan een ziekte waarvan vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen drie maanden zou leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade) én evident is dat de noodzakelijke zorg bij terugkeer in het land van herkomst niet beschikbaar of toegankelijk is, wordt de uitzetting van de vreemdeling achterwege gelaten op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Na een jaar onafgebroken verblijf op grond van artikel 64 van de Vw 2000 kan de vreemdeling een reguliere vergunning op tijdelijke humanitaire gronden aanvragen. Voor het aanvragen van deze vergunning zullen geen leges worden gevraagd van de vreemdeling. Het verstrekken van deze verblijfstitels aan ernstig zieke vreemdelingen in relatie tot artikel 3 EVRM, in plaats van een asielvergunning, sluit, aldus de staatssecretaris, aan bij het arrest van het HvJEU in de zaak M’Bodj tegen de Belgische staat. Volgens de staatssecretaris heeft het HvJEU in die uitspraak geoordeeld dat een verzoek om toelating op medische gronden niet is te zien als een verzoek om asielbescherming en daarom niet valt onder de werkingssfeer van de EU-Procedurerichtlijn.

Mij is nog niet helemaal duidelijk over welke reguliere vergunning op tijdelijke humanitaire gronden de staatssecretaris het specifiek heeft. Hij doelt denk ik niet op een vergunning onder de beperking ‘medische behandeling’, nu daarvoor het paspoortvereiste blijft gelden, ook na een jaar aaneengesloten uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000.[24] Zeer waarschijnlijk heeft de staatssecretaris een reguliere vergunning op het oog vanwege de omstandigheid dat de vreemdeling om medische redenen buiten zijn schuld niet kan vertrekken, maar niet geheel valt uit te sluiten dat hij een vergunning regulier onder de (nieuwe) beperking ‘3 EVRM-medisch’ voor ogen heeft.

De staatssecretaris vervolgt in zijn brief dat, indien een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat noodzakelijk geachte medische zorg in het land van herkomst voor hem niet toegankelijk is en er derhalve, zoals bedoeld in de uitspraak Paposhvili, reden is om aan te nemen dat de vreemdeling zonder individuele garanties hier geen toegang toe heeft, de IND in het besluit zal opnemen welke voorwaarden door de DT&V gerealiseerd dienen te worden alvorens tot uitzetting kan worden overgegaan. In afwachting van de invulling van deze voorwaarden zal dan aan de vreemdeling tijdelijk rechtmatig verblijf en opvang kunnen worden geboden op grond van artikel 64 van de Vw 2000[25].

De staatssecretaris meent dat hij met dit toetsingskader invulling geeft aan de door het EHRM geïdentificeerde “uitzonderlijke omstandigheden” bij uitzetting van ernstig zieke vreemdelingen, daarbij de terughoudendheid van het EHRM in acht nemend.

Laat ik het erop houden dat door uitzetting achterwege te laten bij dergelijke medische omstandigheden in ieder geval wordt voorkomen dat een ernstig zieke vreemdeling aan een met artikel 3 EVRM strijdige situatie wordt blootgesteld.

Stijn, april 2017

[1] EHRM 2 mei 1997 in de zaak D. tegen het Verenigd Koninkrijk (St. Kitts), ECLI:CE:ECHR:1997:0502JUD003024096, RV 1997/70; EHRM 6 februari 2001 in de zaak Bensaid tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2001:0206JUD004459998; en EHRM 27 mei 2008 in de zaak N. tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0527JUD002656505, JV 2008/266.
[2] EHRM 13 december 2016, nr. 41738/10, ECLI:CE:ECHR: 2016:1213JUD004173810, NJB 2017/467 en JV 2017/22 (met noot prof. mr. B.E.P. Meyjer).
[3] mr. B. Wegelin: “EHRM gooit roer om in medische zaken”, A&MR 2017, nr. 2, p. 61-66.
[4] Annotatie van prof.mr. B.E.P Meyjer in JV 2017/22.
[5] Letterlijke implementatie van artikel 15, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn.
[6] HvJEU 18 december 2014, zaaknr. C-542/13, ECLI:EU:C:2014:2452.
[7] HvJEU 18 december 2014, zaaknr. C-562/13, ECLI:EU:C:2014:2453, JV 2015/59 (met noot mr. dr. F.F. Larsson).
[8] HvJEU 16 februari 2017, C-578/16, ECLI:EU:C:2017:127.
[9] Zie IND-werkinstructie 2007/12 en B8/4.1 van de Vc 2000: De IND verleent op grond van artikel 3.48 lid 2, aanhef en onder a, van het Vb 2000 een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die om medische redenen niet kan vertrekken als zijn Bureau Medische Advisering heeft vastgesteld dat de vreemdeling vanwege zijn gezondheidstoestand blijvend niet kan reizen of is aangetoond dat de vreemdeling en de betrokken instanties alle inspanningen hebben verricht om het vertrek uit Nederland te realiseren, waaronder het verkrijgen van vervangende reisbescheiden, en gebleken is dat de voorgeschreven fysieke overdracht niet te realiseren is.
[10] Zie onder ‘Medische omstandigheden’, waarin de IND aangeeft dat hij (?) beoordeelt of uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten vreemdeling onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, leidt tot ernstige schade.
[11] Zie paragraaf 43 van het arrest.
[12] Dus niet bij een opvolgende asielaanvraag.
[13] Tot op heden lijken er nog weinig advocaten te zijn die voor dit anker gaan liggen. Anders in de zaak waarin de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, op 29 maart 2017 (AWB 17/4542 en ECLI:NL:RBOBR:2017:1830) uitspraak heeft gedaan, maar daar had de vreemdeling zijn gestelde medische problemen en een eventueel daarvoor noodzakelijke behandeling op geen enkel wijze onderbouwd, zodat het beroep op artikel 3.6a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 reeds daarom strandde.
[14] D.w.z. aanvragen die niet in behandeling worden genomen omdat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
[15] D.w.z. aanvragen die niet-ontvankelijk zijn verklaard omdat de vreemdeling in een andere lidstaat van de EU internationale bescherming geniet, de vreemdeling is erkend als vluchteling in een derde land en hij die bescherming nog kan genieten of anderszins voldoende bescherming geniet in dat land en opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten, een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd, de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag, dan wel aan de vreemdeling reeds een verblijfsvergunning is verleend op grond van artikel 29, eerste lid.
[16] D.w.z. aanvragen die buiten behandeling worden gesteld omdat de vreemdeling heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang zijn voor zijn aanvraag, de vreemdeling niet is verschenen bij een gehoor en hij niet binnen een termijn van twee weken heeft aangetoond dat dit niet aan hem is toe te rekenen, of de vreemdeling is verdwenen of zonder toestemming is vertrokken en hierover niet binnen een termijn van twee weken contact heeft opgenomen met de bevoegde autoriteiten.
[17] Zie paragraaf C1/4.5 van de Vc 2000 over de ambtshalve toets.
[18] Artikel 64 van de Vw 2000: Uitzetting blijft achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen. Uit paragraaf A3/7.3 van de Vc 2000 volgt dat rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000 vanwege artikel 64 steeds voor hooguit drie maanden wordt verleend.
[19] Zie herschikking asielgronden, blog stijnskijkopasielrecht juni 2014.
[20] Zie bijvoorbeeld rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 16 oktober 2015, AWB 15/13550 (ECLI:NL:RBDHA:2015:12174), waarin de rechtbank heeft beoordeeld of de verwijdering van de vreemdeling naar het land van herkomst in verband met zijn medische situatie in strijd is met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn
[21] Ook impliciet, aangezien de staatssecretaris op grond van artikel 6.1e, eerste lid, van het Vb 2000 bij afwijzing van de eerste aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, ambtshalve beoordeelt of er reden is voor toepassing van artikel 64 van de Wet, tenzij op grond van artikel 3.6a, eerste lid, alsnog ambtshalve een verblijfsvergunning is verstrekt. Dit wordt ook de ‘parallelle procedure’ genoemd. Het beleid inzake de parallelle procedure is neergelegd in paragraaf A3/7.3 van de Vc 2000.
[22] Kenmerk 2059065.
[23] Is ‘vaststaan’ niet een veel te zwaar criterium in het kader van artikel 3 van het EVRM en is niet al voldoende dat sprake is van een reëel en voorzienbaar risico?
[24] Het inkomensvereiste vervalt wel na dat jaar aaneengesloten uitstel van vertrek wegens 64 van de Vw 2000.
[25] Zuiverder lijkt mij om te zeggen dat de vreemdeling dan rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000.

Advertenties

Asiel is als Tilburg

De bewijslast in asielzaken en de rol van de rechter


De mens is ambivalent. Zelf mag hij kritiek hebben op de woonplaats waarin hij zijn leven lang al bivakkeert, maar hij kan dat moeilijker accepteren van voormalig ingezetenen die jaren geleden zijn vertrokken en nooit meer zijn teruggekeerd of van lieden van wie hij het sterke vermoeden heeft dat ze zijn stekje nimmer hebben aangedaan.
Hetzelfde tweeslachtige gevoel overkomt me als door buitenstaanders wordt gesuggereerd dat de wereld van asiel een rechter juridisch weinig te bieden heeft. Als inwoner van dat gebied begrijp ik als geen ander dat opmerkingen in die richting voornamelijk voortkomen uit het beeld dat is ontstaan door rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waarin de rechter te verstaan werd gegeven dat hij terughoudendheid in acht dient te nemen ten aanzien van de toetsing van het standpunt van het bestuursorgaan over de geloofwaardig van een asielrelaas. Zelfs voor mij was het aanvankelijk even slikken toen de Afdeling in haar uitspraak van 27 januari 2003[1] oordeelde dat de rechter niet in staat is de geloofwaardigheid van een asielrelaas op vergelijkbare wijze te beoordelen als het bestuursorgaan.
Dat doet je wat als medemens. Invoelbaar is dat deze jurisprudentie van de Afdeling door rechters kan zijn ervaren als een marginalisering van hun rol in het asielrecht, zeker als zij op andere terreinen wel aan feitenonderzoek en waarheidsvinding mogen doen.
Veel buitenstaanders beschouwen Tilburg als een stad waar niets te beleven valt, een uit de kluiten gewassen dorp zonder inhoud of karakter. Maar het in 1973 slopen van een aantal historische panden ten behoeve van een stadskantoor maakt nog geen onleefbare of lelijke stad. Mensen die anders beweren, schetsen een eenzijdig en statisch beeld, waarin geen rekening wordt gehouden met de nog bestaande mooie plekjes en de positieve veranderingen die zich sindsdien hebben voorgedaan. Zo ook lijkt men soms geen oog te hebben voor de snelle veranderingen binnen het asielrecht, die hun oorzaak vinden in de druk vanuit de politiek om meer asielzaken – met behoud van kwaliteit – binnen hetzelfde tijdsbestek af te doen, de voortdurende wijziging van de mensenrechten- en veiligheidssituatie in landen waar asielzoekers vandaan komen, nieuwe regelgeving vanuit zowel Brussel als Den Haag en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). Daarnaast lijkt men vaak een blinde vlek te hebben voor het feit dat de asielrechter ook zaken ziet waarin de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het asielrelaas wel gelooft, doch niet zwaarwegend genoeg acht voor een geslaagd beroep op het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In die zaken is voor een terughoudende toetsing van het bestreden besluit geen plaats. Hetzelfde geldt voor zaken waarin een opvolgend asielverzoek is gedaan en de asielrechter juist gehouden is om ambtshalve te beoordelen of sprake is van een wijziging van recht of van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden sinds het besluit uit de vorige procedure, wat soms van hem vergt zelfstandig te beoordelen of een origineel en authentiek document is ingebracht.[2] Tijd voor een (hernieuwde) rondleiding, zij het enkel langs de hoofdlijnen – of hoofdstraten zo u wilt – van het bewijsrecht in asielzaken.


Suikerzakjes
Een asielzoeker vraagt om bescherming. Uitgangspunt is dan ook dat in beginsel op hem de last rust om de noodzaak van bescherming aannemelijk te maken. Hij hoeft niet te bewijzen dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst gevaar voor lijf en leden loopt. Ter beoordeling staat slechts of hij zich optimaal heeft ingespannen om de noodzaak van het aan hem bieden van een veilige haven aannemelijk te maken. De medewerking die van de asielzoeker wordt verlangd, heeft zowel betrekking op het overleggen van documenten als het uit eigen beweging naar voren brengen van al zijn asielmotieven zodra hem daartoe tijdens een zogeheten nader gehoor de gelegenheid wordt geboden.[3]


In Nederland wordt in de eerste plaats van de asielzoeker verlangd dat hij – daar waar mogelijk – documenten overlegt ter staving van zijn identiteit, nationaliteit, reisroute en asielrelaas.[4] De overheid wil zoveel mogelijk weten met wie zij van doen heeft en is zeker in de aanvangsfase van de asielprocedure geïnteresseerd in de wijze waarop de asielzoeker naar Nederland is gekomen en welke landen hij heeft gepasseerd. Dit laatste niet zozeer vanuit de vraag waarom mensen helemaal vanuit landen als Somalië, Irak en Afghanistan naar ons kikkerlandje komen als het ze primair om veiligheid is te doen, maar meer om te achterhalen of niet een ander land binnen de EU verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielverzoeken, omdat zij daar eerst zijn geweest of doorheen zijn gereisd. Het zal in dit verband geen verbazing wekken dat sommige asielzoekers wel in staat blijken om gedetailleerd hun reis tot een land buiten de EU te beschrijven, maar vervolgens vaag blijven waar het hun binnenkomst en reis binnen de EU betreft.

Uit het enkele feit dat een asielzoeker volledig documentloos is, kan en mag echter nog niet de conclusie worden getrokken dat hij slechts economische motieven heeft om zich in Nederland te vestigen en geen serieuze aanspraak maakt op internationale bescherming. Integendeel, een asielzoeker kan zich immers in een acute vluchtsituatie hebben bevonden toen hij zijn land van herkomst verliet en daarom niet in staat zijn om (direct) met concreet bewijs te komen van zijn identiteit en asielmotieven. Met die bewijsnood dient rekening te worden gehouden, zij het dat van een asielzoeker mag worden verlangd dat hij de documenten overlegt waarover hij redelijkerwijs kan of kon beschikken. Als een asielzoeker geen documenten in zijn bezit heeft, dient hij daarvoor een bevredigende verklaring te geven. Vaak loopt het voor asielzoekers spaak op het punt van de reisdocumenten. In beginsel is namelijk niet aannemelijk dat een asielzoeker geen enkel document van zijn reis kan overleggen, zeker niet als hieronder ook indicatieve bewijzen worden verstaan, zoals treinkaartjes, hotelrekeningen, winkelbonnetjes, kofferlabels en suikerzakjes uit het vliegtuig. Zelfs in het geval wordt aangenomen dat een asielzoeker een voor de reis gebruikt vals paspoort onder dwang aan de mensensmokkelaar heeft moeten afstaan omdat dit document voor zijn reisbegeleider een economische waarde vertegenwoordigt, zal dat financiële belang doorgaans niet – bepaalde verzamelaars niet te na gesproken – worden gezien met betrekking tot suikerzakjes en treinkaartjes.

Pok of munt?
In het merendeel van de asielzaken die de rechter ziet, is in het bestreden besluit, waarin de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) namens de staatssecretaris heeft geweigerd een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, aan de vreemdeling tegengeworpen dat hij toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd ter staving van de door hem gestelde reisroute. Het verwijt dat de asielzoeker in dezen wordt gemaakt, werkt door in de wijze waarop de IND vervolgens de geloofwaardigheid beoordeelt van de verklaringen van de asielzoeker over de reden(en) van zijn vlucht uit het land van herkomst. In voetbaltermen kan men het vergelijken met een uitwedstrijd voor de asielzoeker waarin hij al heel vroeg in de eerste helft op achterstand komt tegen het sterrenteam van het bestuursorgaan. Dat wil niet zeggen dat hij in de resterende speeltijd de wedstrijd niet alsnog naar zijn hand kan zetten en als winnaar uit de bus kan komen, maar dan mogen geen gaten meer vallen in zijn verdediging en zal hij alles op alles moeten zetten om nog tweemaal te scoren. Eén uitglijder, en het spel lijkt gespeeld. Van de asielzoeker wordt met andere woorden een zwaardere inspanning vereist om zijn verzoek om bescherming aannemelijk te maken. Dit betekent niet alleen dat hij, evenals alle andere asielzoekers, alle hem door het bestuursorgaan gestelde vragen zo volledig mogelijk dient te beantwoorden en dat zijn relaas zowel op hoofdlijnen innerlijk consistent moet zijn alsook overeen dient te komen met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is, doch tevens dat van zijn asielrelaas positieve overtuigingskracht (pok) dient uit te gaan. Dit laatste houdt in dat in het verhaal van de asielzoeker ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van relevante bijzonderheden mogen voorkomen. Eén enkele ongerijmde wending of tegenstrijdigheid kan het bestuursorgaan al tot de slotsom leiden dat het relaas positieve overtuigingskracht mist en daarmee ongeloofwaardig is.[5]


De buitenspelval
In het internationale recht is voor de bewijslastverdeling mede bepalend uit welk land een asielzoeker afkomstig is en of hij al dan niet tot een kwetsbare minderheidsgroep behoort. Immers, hoe slechter het is gesteld met de mensenrechten- en veiligheidssituatie in het land van herkomst en/of de positie van een minderheidsgroepering waartoe hij eventueel behoort, des te eerder dient te worden aangenomen dat, ervan uitgaande dat de nationaliteit en/of het behoren tot die groep geen punt van discussie is, de IND een persoon voor zich heeft die wel eens serieus bescherming nodig heeft, dan wel nodig zou kunnen hebben.[6] Zo kan worden aangenomen dat mensen die onder een dictatuur leven eerder in de negatieve belangstelling van hun autoriteiten kunnen komen te staan dan mensen die in een democratische rechtsstaat leven. Indien een asielzoeker tot een kwetsbare minderheidsgroep behoort die systematisch wordt vervolgd, hoeft hij om voor internationale bescherming in aanmerking te komen enkel aannemelijk te maken dat hij tot die groep hoort.[7] Als de asielzoeker tot een kwetsbare minderheidsgroep behoort die speciale aandacht vraagt, maar als zodanig niet systematisch wordt vervolgd, hoeft hij slechts met geringe indicaties aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer naar zijn land heeft te vrezen voor vervolging.[8]


Weliswaar komt uit het landgebonden asielbeleid van de staatssecretaris,dat voornamelijk gebaseerd is op informatie uit algemene ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken, naar voren dat rekening wordt gehouden met de situatie in een land en de positie van minderheidsgroepen, maar het is geen omstandigheid die op dezelfde (gelijkwaardige) wijze wordt meegenomen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas als de omstandigheid dat de asielzoeker toerekenbaar niet over bepaalde documenten beschikt. De asielzoeker kan namelijk uit nog zo een gevaarlijk land komen, zijn persoonlijke relaas kan niettemin vanwege slechts één vaagheid of ongerijmdheid (op een relevant onderdeel van het relaas) ongeloofwaardig worden bevonden door het bestuursorgaan als het toetsingskader van de positieve overtuigingskracht geldt. De situatie in zijn land van herkomst en de vraag of hij tot een kwetsbare minderheidsgroepering behoort, speelt dan geen rol bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het individuele vluchtrelaas. De pok-toets maakt dus dat de algemene situatie in het herkomstland wordt geïsoleerd en geabstraheerd van het individuele asielrelaas. Door de beslismedewerker van de IIND wordt nog wel beoordeeld of die situatie op zichzelf aanleiding vormt voor vergunningverlening. De lat ligt dan echter heel erg hoog voor de asielzoeker, want dan moet hij afkomstig zijn uit een land of gebied waar sprake is van ‘the most extreme cases of general violence’.[9]


Ontdek je plekje
Vanaf de invoering van de Vw 2000 staat hoger beroep open tegen uitspraken van de rechtbanken. De Afdeling liet al vrij snel in haar rechtspraak weten dat het niet aan de rechter is om de geloofwaardigheid van een asielrelaas te beoordelen. Volgens de Afdeling miskenden veel bestuursrechters dat de vaststelling of en in hoeverre bij de beoordeling van de asielaanvraag wordt uitgegaan van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas gestelde feiten tot de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan behoort en dat die vaststelling door de rechter slechts terughoudend (marginaal) kan worden getoetst. In de visie van de Afdeling dient de rechter zich bij zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas dan ook te beperken tot het oordeel of het bestuursorgaan zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas ongeloofwaardig is.[10] In haar uitspraak van 27 januari 2003 legde de Afdeling uit waarom het bestuursorgaan in dit verband beoordelingsruimte toekomt. Kort gezegd vindt de Afdeling dat het bestuursorgaan beter in staat is om die beoordeling objectief te verrichten dan een rechter, omdat hij de geloofwaardigheid van het asielrelaas beoordeelt op basis van uitvoerige gehoren en van vergelijking van het relaas met al datgene, wat hij over de situatie in het land van herkomst weet uit ambtsberichten en andere objectieve bronnen en wat hij eerder heeft onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere asielzoekers in een vergelijkbare situatie.

Deze rechtspraak van de Afdeling heeft in die tijd – dat kan niet worden ontkend – enige reuring veroorzaakt binnen de rechtbanken. Een aantal rechters vond dat zij hierdoor geen doorslaggevende rol van betekenis meer konden spelen als zij – niet zelden in geval van in hun ogen schrijnende gevallen – van mening waren dat een asielzoeker voor toelating tot Nederland in aanmerking behoorde te komen. Het signaal dat deze rechters afgaven, heeft zijn uitwerking niet gemist. Het doet namelijk soms tot op heden nog andere rechters weifelen om binnen het rechtsgebied van asiel aan de slag te gaan. Dat is jammer. Niet alleen omdat zij hierdoor een kennismaking met een boeiend en dynamisch rechtsgebied mislopen, maar zij ook nooit zullen ervaren dat de asielrechter ook binnen de marges van de terughoudende toetsing een belangrijke taak heeft te vervullen.

Om met het laatste te beginnen. Ook binnen de speelruimte van de marginale toetsing dient de rechter, als de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, op grond van de Algemene wet bestuursrecht te beoordelen of het besluit van de staatssecretaris zorgvuldig tot stand is gekomen en/of voorzien is van een deugdelijke motivering. Hij dient wel ervoor te waken dat hij zijn standpunt niet in de plaats stelt van dat van het bestuursorgaan. Dus als een asielzoeker in de optiek van de rechter een plausibele verklaring geeft voor iets dat door het bestuursorgaan vreemd wordt gevonden, kan de rechter niet oordelen dat het bestuursorgaan zich hierdoor niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas ongeloofwaardig is. De rechter zou hiermee – nog daargelaten dat een redelijke verklaring van de asielzoeker nog niet betekent dat het standpunt van het bestuursorgaan onredelijk is – op de stoel van het bestuursorgaan gaan zitten. De rechter zou wel kunnen constateren dat uit het besluit niet blijkt dat het bestuursorgaan zich rekenschap heeft gegeven van die verklaring van de vreemdeling of hij zou kunnen oordelen dat in het besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom aan die verklaring – mede bezien in het licht van de overige verklaringen van de vreemdeling en/of hetgeen uit objectieve bronnen bekend is – geen gewicht wordt toegekend. Het luistert dus nauw hoe de rechter zijn oordeel motiveert. Het is niet slechts een kwestie van semantiek. Niet gemakkelijk, maar jurisprudentie van de Afdeling kan in een voorkomend geval als voorbeeld dienen.[11]


Daarnaast dient de rechter zich ervan bewust te zijn dat ondersteunend materiaal kan leiden tot omkering van de bewijslast, in die zin dat op het bestuursorgaan een zwaardere onderzoeks- en/of motiveringsplicht komt te liggen. Als het bestuursorgaan op zichzelf goede redenen heeft om aan de identiteit van de asielzoeker en/of het waarheidsgehalte van diens relaas te twijfelen, kan niettemin onder bepaalde omstandigheden omkering van de bewijslast plaatsvinden als de asielzoeker zijn relaas en/of identiteit (alsnog) met ondersteunend materiaal onderbouwt. Met de omkering van de bewijslast wordt hier bedoeld dat het bestuursorgaan dat materiaal niet zomaar terzijde kan schuiven onder verwijzing naar de reden waarom de identiteit en/of het relaas niet geloofwaardig worden geacht, maar bij zijn beoordeling zal moeten betrekken en – eventueel na het inschakelen van een deskundige of ander nader onderzoek – gemotiveerd zal moeten aangeven waarom dat niet tot een ander standpunt leidt met betrekking tot hetgeen niet aannemelijk werd geacht.

Verder ziet de rechter zaken waarin gerechtvaardigde twijfel mogelijk is over de identiteit en nationaliteit van een asielzoeker, omdat deze weinig weet te vertellen over zijn gestelde land van herkomst, hij identiteitsdocumenten heeft overgelegd waarvan de Koninklijke Marechaussee (KMar) of Bureau Documenten van de IND concludeert dat deze (waarschijnlijk) vals zijn en/of is gebleken dat hij onder ander personalia geregistreerd staat in een andere lidstaat van de EU. Indien de betreffende asielzoeker vervolgens met een authentiek paspoort op de proppen komt, staat het evenwel het bestuursorgaan niet vrij om hieraan geen waarde te hechten louter op basis van bij hem om andere reden(en) gerezen twijfel.[12]


Om bij het vorenstaande even stil te staan. Documenten die een asielzoeker inbrengt, worden door het bestuursorgaan ter onderzoek aangeboden aan Bureau Documenten en/of de KMar. Zij hebben de expertise om de documenten te onderzoeken op echtheid. Het komt met enige regelmaat voor dat zij daarover geen uitspraak kunnen doen, omdat zij niet over (voldoende) referentiemateriaal beschikken. In de jurisprudentie van de Afdeling wordt in dit verband onderscheid gemaakt tussen eerste en opvolgende asielaanvragen. Het ontbreken van referentiemateriaal komt niet zonder meer voor rekening en risico van de vreemdeling als het een eerste asielaanvraag betreft.[13] Als het bestuursorgaan echter het asielrelaas in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten en de authenticiteit van een door de asielzoeker overgelegd document niet kan worden vastgesteld, wordt aan dat document niet de door de asielzoeker gewenste waarde toegekend.
In het geval van een herhaalde asielaanvraag komt de omstandigheid dat Bureau Documenten of de KMar vanwege het ontbreken van referentiemateriaal geen uitspraak kan doen over de authenticiteit van een document wel zonder meer voor rekening en risico van de asielzoeker.[14] In zulk geval kan het document niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. De asielzoeker zal de authenticiteit dan zelf moeten aantonen met een contra-expertise. Meestal kunnen asielzoeker echter geen deskundige vinden en zo ze die al vinden, ontbreekt het hen aan financiële middelen om de kosten van een onderzoek te dragen.

Verder doen medische stukken, die een sterke aanwijzing vormen dat littekens en/of verwondingen zijn veroorzaakt door de door de asielzoeker gestelde behandeling die hij in het land van herkomst heeft ondergaan, de bewijslast verschuiven. Als er in beginsel aanleiding is om een asielrelaas niet geloofwaardig te achten vanwege enkele vage, summiere en/of bevreemdingwekkende verklaringen, kan, zo volgt uit het arrest van het EHRM van 9 maart 2010 in de zaak R.C. tegen Zweden[15], met een deskundigenrapport dat een sterke aanwijzing biedt dat die littekens of verwondingen zijn veroorzaakt door marteling, mishandeling en/of verkrachting, door de asielzoeker toch nog een begin van bewijs worden geleverd dat zijn relaas, ondanks aanvankelijke scepsis, voor waar moet worden gehouden.
Het bestuursorgaan kan een dergelijke rapportage niet zomaar passeren, maar zal, als het blijft twijfelen dat die littekens en/of verwondingen zijn veroorzaakt door de martelingen, mishandelingen en/of verkrachting waaraan een asielzoeker zegt te zijn onderworpen, die twijfel zelf moeten wegnemen door een deskundigenadvies in te winnen met betrekking tot de waarschijnlijke oorzaak van de littekens en/of verwondingen.[16]


De Europese dimensie: samenwerkingsplicht en daadwerkelijk rechtsmiddel
Een actuele kwestie is in hoeverre de IND de asielzoeker behulpzaam moet zijn om diens gestelde noodzaak van bescherming aannemelijk te maken. In artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2004/83/EG (de Definitierichtlijn) is bepaald dat de lidstaat tot taak heeft om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen. In artikel 3.111, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) is neergelegd dat door de vreemdeling alle gegevens worden verstrekt, waaronder begrepen de relevante documenten, op basis waarvan in samenwerking met de vreemdeling beoordeeld kan worden of er een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aanwezig is. In artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn en artikel 3.111, eerste lid, van het Vb 2000 ligt dus een gedeelde bewijslastverdeling besloten.

Tot op heden is vaste rechtspraak van de Afdeling, dat, voor zover artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn al een direct toepasbare norm zou inhouden, de hierin opgenomen samenwerkingsplicht niet verder strekt dan dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om elementen ter staving van zijn asielverzoek in te dienen en het bestuursorgaan het resultaat van de beoordeling daarvan, voordat een beslissing wordt genomen, meedeelt aan de vreemdeling, zodat deze de mogelijkheid heeft eventueel gebreken te herstellen.[17]
Volgens de Afdeling hoeft het bestuursorgaan dus enkel te onderzoeken wat de vreemdeling zelf aandraagt en in een voornemen kenbaar te maken wat het resultaat hiervan is, zodat de vreemdeling eventuele gebreken in de zienswijze kan herstellen.

Het HvJ EU heeft in het arrest van 22 november 2012 in de zaak M.M. tegen Ierland[18] prejudiciële vragen beantwoord die waren gesteld door het Ierse High Court over de uitleg van artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn.
Het Hof overweegt dat de in artikel 4 van de Definitierichtlijn bedoelde beoordeling van feiten en omstandigheden in twee onderscheiden fasen verloopt. De eerste fase betreft de vaststelling van de feitelijke omstandigheden die bewijselementen tot staving van het verzoek kunnen vormen, terwijl de tweede fase de beoordeling in rechte van deze gegevens betreft, waarbij wordt beslist of in het licht van de feiten die een zaak kenmerken, is voldaan aan de materiële voorwaarden voor de toekenning van internationale bescherming. Volgens het Hof heeft artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn alleen betrekking op de eerste fase.
Voorts overweegt het Hof dat de op de lidstaat rustende samenwerkingsplicht concreet inhoudt dat, indien de door de verzoeker om internationale bescherming aangevoerde elementen om welke reden ook niet volledig, actueel of relevant zijn, de betrokken lidstaat in de eerste fase van de procedure actief met de verzoeker moet samenwerken om alle elementen te verzamelen die het verzoek kunnen staven. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat een lidstaat mogelijkerwijs gemakkelijker toegang tot bepaalde documenten heeft dan de verzoeker. Het Hof meent dat deze uitleg steun vindt in artikel 8, tweede lid, sub b, van Richtlijn 2005/95/EG (de Procedurerichtlijn), op grond waarvan de lidstaten ervoor zorgen dat nauwkeurige en actuele informatie wordt verzameld over de algemene situatie in de landen van oorsprong van asielzoekers en, waar nodig, in de landen van doorreis.

Uit het arrest wordt duidelijk dat de door de Afdeling gegeven uitleg niet helemaal juist is. Enerzijds is de uitleg van de Afdeling te ruim, daar waar zij (impliciet) zegt dat onder de samenwerkingsplicht ook valt dat verweerder eerst een voornemen kenbaar dient te maken aan de vreemdeling alvorens een beslissing te nemen. Anderzijds is de interpretatie van de Afdeling te eng, nu duidelijk is dat het bestuursorgaan een veel actievere rol in het kader van de samenwerkingsplicht heeft. Een lidstaat dient ook zelf bewijs aan te dragen dat het asielverzoek kan staven, zeker als het informatie betreft waartoe een lidstaat gemakkelijker toegang heeft dan de asielzoeker in kwestie. Niettemin blijft het lastig om op grond van het arrest nauwkeurig te bepalen hoever de samenwerkingsplicht voor het bestuursorgaan in een concreet geval strekt.[19] Uit het arrest zou kunnen worden opgemaakt dat de lidstaat in het algemeen gehouden is om actief informatie te verzamelen over landen waar de asielzoekers vandaan komen en de door de asielzoeker ingebrachte documenten te laten onderzoeken of de inhoud ervan te laten verifiëren, zeker als dat op betrekkelijk eenvoudige wijze kan worden gedaan. Dat die onderzoeksplicht zelfs kan gelden ten aanzien van kopieën van documenten en informatie uit e-mails, volgt uit het arrest van het EHRM van 2 oktober 2012.[20] Een kanttekening is echter op zijn plaats, omdat uit jurisprudentie kan worden opgemaakt dat de staatssecretaris niet in strijd handelt met de samenwerkingsplicht als hij nader onderzoek achterwege laat omdat op voorhand is uitgesloten dat een dergelijk onderzoek het asielverzoek kan staven.[21]
De onderzoeksplicht volgt overigens niet alleen uit de Definitierichtlijn en de Opvangrichtlijn, maar ook uit artikel 3 van het EVRM en 33 van het Vluchtelingenverdrag. De lidstaat mag een asielzoeker niet refouleren. Dat wil zeggen dat het absoluut verboden is om een asielzoeker uit te zetten naar een land waar zijn leven of vrijheid in gevaar is of waar hij het reële risico loopt om onderworpen te worden aan foltering of aan onmenselijke, dan wel vernederende behandeling of bestraffing. Om bedoeld risico uit te sluiten, rust op de Verdragsluitende Staten een onderzoeksplicht.

Ten slotte kan nog worden gewezen op Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 2013 (herziening van de Procedurerichtlijn), die voor 21 juli 2015 dient te zijn omgezet in het nationale recht. In artikel 46 van deze richtlijn is bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven. Ten einde hieraan te voldoen, zorgen de lidstaten ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU (herschikking van de Definitierichtlijn), zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.[22]


De vraag is of dit een comeback betekent van de volle toetsing door de rechter van de geloofwaardigheid van een asielrelaas. Wetenschappers die betogen dat een dergelijke intensiteit van de rechterlijke toetsing al besloten ligt in de jurisprudentie van het EHRM en het HvJ EU, zullen zich hierin door de herziening van de Procedurerichtlijn gesteund zien.[23] Hierover is het laatste woord nog niet gesproken. Het zal binnen de politiek zeker weer de discussie doen oplaaien die gevoerd werd toen het initiatiefwetsvoorstel van Pechtold en Van der Ham werd ingediend. Hierin werd onder meer voorgesteld om een nieuw wetsartikel aan de Vreemdelingenwet 2000 toe te voegen, waarin zou worden bepaald dat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening houdt met door de vreemdeling afgelegde verklaringen en overgelegde bewijsmiddelen, voor zover hij de daarin gestelde feiten en vermoedens geloofwaardig acht.[24]  Toenmalig staatssecretaris Albayrak zag er geen brood in. Zij vond een volle toets bij de rechter niet nodig en niet wenselijk vanwege de risico’s die eraan kleven. In het wetgevingsoverleg van 7 december 2009 wees de staatssecretaris erop dat vreemdelingenrecht bestuursrecht is en dat in het bestuursrecht de beoordeling van de geloofwaardigheid van het relaas in eerste instantie aan het bestuursorgaan is. Volgens haar zit bij de IND de kennis, expertise, tijd, energie en het geld om uitgebreid op alle feiten die worden aangedragen in te gaan, om onderzoek te doen, om taalanalyses te doen en om uitgebreid te onderzoeken of een verhaal klopt. In haar optiek moest het beslag dat door een volle toetsing op een rechtbank wordt gelegd, en dus op rechters, mensen en middelen, niet worden onderschat. Zij vond dat als de rechtbanken ten volle alles wat de IND heeft gedaan zouden moeten overdoen, de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan naar de rechter zou verschuiven, wat in het bestuursrecht nooit de bedoeling is.[25] De staatssecretaris zag uiteindelijk meer heil in een uitbreiding van de ex nunc toetsing door de rechter, waardoor hij niet alleen hoeft af te gaan op de feiten en omstandigheden zoals die waren toen de IND ernaar keek, maar ook mag afgaan op informatie die na het bestreden besluit naar voren wordt gebracht.[26]
Rechters en juridisch ondersteuners, die werkzaam zijn op het terrein van het asielrecht, zullen zien wat de nabije toekomst hen weer brengt. Zij zijn eraan gewend dat geen werkdag hetzelfde is. Een ding lijkt zeker en dat is dat aan het HvJ EU prejudiciële vragen zullen worden gesteld over de betekenis en reikwijdte van artikel 46 van Richtlijn 2013/32/EU. De woorden van Albayrak zullen in de vraagstelling doorklinken.

Hier eindigt de rondleiding. Ik hoop dat ik u als lezer positief heb kunnen overtuigen van de afwisseling en het moois dat het asielrecht biedt en de nieuwe uitdagen waarvoor rechters en juridische ondersteuning morgen weer voor komen te staan. Tilburg is voor een ander moment en op een andere plaats.

mr. A.A.M.J. Smulders[27]
November 2013

[1] AbRS 27 januari 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF5566. Volgens de Afdeling beoordeelt het bestuursorgaan de geloofwaardigheid van het asielrelaas op basis van uitvoerige gehoren en van vergelijking van het relaas met al datgene wat hij over de situatie in het land van herkomst weet uit ambtsberichten en andere objectieve bronnen en wat hij eerder heeft onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere asielzoekers in een vergelijkbare situatie. Dit overzicht stelt hem in staat die beoordeling vergelijkenderwijs en aldus geobjectiveerd te verrichten. De rechter is niet in staat de geloofwaardigheid op vergelijkbare wijze te maken, aldus de Afdeling.
[2] Onder meer AbRS 27 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012: BV7805, waarin de Afdeling oordeelt dat de rechter direct en ambtshalve dient te beoordelen of de vreemdelingen in de bestuurlijke fase hebben aangetoond dat het merkzegel een apostille in de zin van het Apostilleverdrag is. In AbRS 7 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010: BM0709, wordt geoordeeld dat de rechter had moeten onderzoeken of de vreemdeling ter onderbouwing van zijn gestelde bekering tot het christendom een origineel doopcertificaat had overgelegd.
[3] Het is niet aan het bestuursorgaan om de asielmotieven door middel van vraagstelling aan het licht te brengen. De asielzoeker dient al in zijn vrije relaas – dat is de aanvangsfase van het nader gehoor waarin de asielzoeker, nog voordat de ambtenaar van de IND vragen gaat stellen, de mogelijkheid krijgt om in eigen woorden te vertellen wat de beweegredenen zijn voor zijn vertrek uit het land van herkomst zijn – alle relevante gebeurtenissen naar voren te brengen die hebben geleid tot het vertrek uit zijn land en hierover consistent en volledig verklaren. Zie ABRS 2 maart 2005, zaaknummer 20040792/1, en AbRS 27 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012: BW4916.
[4] De Afdeling oordeelde vrij recentelijk in haar uitspraak van 21 juni 2013, zaaknummer 201200687/1/V2, dat de asielzoeker ook in de beroepsfase nog documenten kan overleggen ter staving van zijn identiteit, nationaliteit, reisroute en/of vluchtverhaal. In haar uitspraak van 27 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011: BV0404. oordeelde de Afdeling nog dat de vreemdeling dergelijke documenten uiterlijk in de fase van de bestuurlijke besluitvorming naar voren had moeten brengen.
[5] AbRS 11 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009: BK8672, rechtsoverweging 2.3.4.
[6] Vergelijk rechtsoverweging 39 in het arrest van het HvJ EU 17 februari 2009 in de zaak van Elgafaji tegen Nederland, ECLI:NL:XX:2009: BH3646.
[7] EHRM 11 januari 2007 inzake Salah Sheekh (van de Ashraf-clan) tegen Nederland, ECLI:NL:XX2007: AZ5971 en JV 2007/30 (met noot van B. Vermeulen).
[8] Vergelijk AbRS 12 oktober 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB5779, over de Mandingo bevolkingsgroep in Liberia.
[9] EHRM 17 juli 2008 in de zaak van N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, LJN: BF0248. In dit arrest oordeelde het EHRM voor het eerst dat het nooit heeft uitgesloten dat de algemene situatie in het land van herkomst zodanig ernstig is dat elke verwijdering naar dat land in strijd is met artikel 3 van het EVRM Het Hof voegt eraan toe dat zulks alleen in uitzonderlijke gevallen zo zal zijn. Zie ook HvJ EG/EU 17 februari 2009 in de zaak van Elgafaji tegen Nederland, ECLI:NL:XX:2009:BH3646 (thans: ECLI:EU:C:2009:94).
[10] Voor het eerst in AbRS 9 juli 2002, ECLI:NLXX:2002:AE6677.
[11] Onder meer AbRS 23 september 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AM2446 (Hetgeen de minister in het bestreden besluit heeft overwogen over de feitenkennis van appellant, kan het standpunt omtrent de geloofwaardigheid van de gestelde bekering redelijkerwijs niet dragen); AbRS 8 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI5957 (Ten onrechte gegevens uit dossier van de moeder niet bij de beoordeling betrokken); AbRS 1 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013BZ3735 (Er is geen duidelijkheid verschaft over de vraag of het door de vreemdeling gestelde herkomstland ongeloofwaardig is geacht); AbRS 18 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ 5210 (Uit de motivering van het besluit kan niet worden afgeleid dat de staatssecretaris rekening heeft gehouden met bepaalde verklaringen van de vreemdeling); AbRS 24 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA1304 (Uit de ongeloofwaardig geachte verklaringen van de vreemdeling volgt niet dat de gestelde bekering zelf ongeloofwaardig is).
[12] ABRS 6 juli 2009, zaaknummer 200901280/1/V2, en ABRS 25 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL9904.
[13] ABRS 9 september 2008, zaaknummer 200805797/1, over een opsporingsbevel en ABRS 26 september 2012, zaaknummer 201106373/1/V1, over een lidmaatschapskaart.
[14] Onder andere ABRS 1 februari 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS8366, en ABRS 26 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005: AU0346.
[15] EHRM 9 maart 2010, 41827/07, ECLI:NL:XX:2010:BM4069 en JV 2010/147 (met noot van Prof. mr. T. Spijkerboer), met name paragraaf 50 tot en met 53 van dit arrest.
[16] Zie ook ABRS 16 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5598, waarin de Afdeling oordeelde dat verklaringen van de vreemdeling over de door hem ondergane mishandelingen worden ondersteund door een medisch rapport van de Medische Onderzoeksgroep van Amnesty (MOG) en dat verweerder in het licht van het arrest R.C. tegen Zweden, had dienen te beoordelen of dit rapport een ander licht werpt op het asielrelaas.
Anders in ABRS 8 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3718, waarin volgens de Afdeling geen sprake was een deskundigenoordeel over de mate van waarschijnlijkheid dat de littekens en verwondingen verband houden met marteling. Weliswaar stond in het rapport dat de lichamelijke klachten en verwondingen het gevolg zijn van marteling, maar dit kon, aldus de Afdeling, niet anders worden opgevat dan als een weergave van wat de vreemdeling zelf daarover had verklaard.
[17] Onder meer AbRS 12 juli 2007, zaaknummer 200703043/1, ECLI:NL:RVS:2007:BB1365 en JV 2007/464 (met noot van mr. drs. M.A.H. Strik).
[18] HvJ EU 22 november 2012, C-277/11, ECLI:NL:XX:2012:BY4788 en JV 2013/8 (met noot van mr. P. van Reenen).
[19] Voorzieningenrechter zittingsplaats Den Bosch 4 december 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY5413.
[20] EHRM 2 oktober 2012 inzake Singh tegen België, 33210/11, ECLI:NL:XX:2012:BY3194 en EHRC 2013/7 (met noot van mr. M. Reneman). Het ging in die zaak om originele identiteitsdocumenten (taskera’s), kopieën van paspoorten en e-mails van de UNHCR die niet door de Belgische autoriteiten waren onderzocht. Let wel: het EHRM laat zich niet uit over de samenwerkingsplicht, omdat een uitleg hierover is voorbehouden aan het HvJ EU.
[21] Onder meer ABRS 5 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8718.
[22] Vergelijk EHRM 11 januari 2007 inzake Salah Sheekh tegen Nederland, ECLI:NL:XX:2007:AZ5971, waarin het Hof in rechtsoverweging 136 het volgende zegt: “ (…) This further implies that, in assessing an alleged risk of treatment contrary to Article 3 in respect of aliens facing expulsion or extradition, a full and ex nunc assessment is called for as the situation in a country of destination may change in the course of time.”
[23] Zie onder meer het proefschrift van mr. dr. D. Baldinger: “Rigorous Scrutiny versus Marginal Review”, ISBN 978-90-5850-952-9 (2013), waarin uiteen wordt gezet waarom de marginale toetsing in strijd is met het EU- en internationaal recht.
[24] Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 30 830, nr.8. Het betrof de toevoeging van artikel 82a van de Vw 2000.
[25] Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 31 994, nr. 25, pagina 35.
[26] Zie het huidige artikel 83 van de Vreemdelingenwet 2000.
[27] A.A.M.J. (Stijn) Smulders, woonachtig in ‘de mooiste stad van Nederland’, is stafjurist bij het team bestuursrecht van de rechtbank Oost-Brabant en houdt zich voornamelijk bezig met het rechtsgebied asiel. Dit artikel is eveneens, zij het in ietwat gewijzigde vorm, verschenen in het tijdschrift TREMA van november 2013.