Waar zullen medische 3 EVRM-aspecten in een asielzaak worden gewogen?

Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)[1] volgt dat uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dringende redenen van humanitaire aard, bij gebreke aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, in strijd kan zijn met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Lange tijd werd aangenomen dat van uitzonderlijke omstandigheden slechts sprake was als de betrokken vreemdeling leed aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium.
In het arrest van het EHRM van 13 december 2016 in de zaak Paposhvili tegen België[2] is door de Grote Kamer evenwel een ruimere uitleg gegeven over welke omstandigheden als zo bijzonder kunnen worden gekwalificeerd dat sprake kan zijn van een schending van artikel 3 van het EVRM bij verwijdering van een ernstig zieke vreemdeling. Op de reikwijdte en de betekenis van dit arrest zal hier niet worden ingegaan, nu dat al door Wegelin[3] en Meyjer[4] is gedaan. Waar wel bij zal worden stilgestaan is de vraag waar medische aspecten in het licht van de jurisprudentie van het EHRM in een asielzaak zullen worden gewogen.

In het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)?
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatssecretaris) toetste medische aspecten tot voor kort (ook) bij de toelatingsgrond als genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, van de Vw 2000. Dat wil zeggen dat de staatssecretaris meende dat hij in dat geval een asielvergunning voor bepaalde tijd kon verlenen aan de vreemdeling die aannemelijk had gemaakt dat hij gegronde redenen had om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit folteringen, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing[5].

Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2 van de Vw 2000 veronderstelt actief handelen door de Staat of door derden jegens de vreemdeling in kwestie waartegen de autoriteiten in het land van herkomst niet of onvoldoende optreden. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft in zijn arrest van 18 december 2014 in de zaak M’Bodj tegen de Belgische Staat[6] geoordeeld dat de lidstaten geen subsidiaire bescherming mogen toekennen aan een derdelander ten aanzien van wie artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen verwijdering omdat hij lijdt aan een ernstige ziekte en in zijn land geen adequate behandeling voorhanden is. Dit kan slechts anders zijn indien aan de derdelander in zijn land van herkomst opzettelijk medische zorg wordt geweigerd.

Het HvJEU heeft verder in zijn arrest van 18 december 2014 in de zaak Abdida tegen de Belgische Staat[7] geoordeeld dat in de zeer uitzonderlijke gevallen waarin de verwijdering van een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, naar een land waar geen adequate behandeling beschikbaar is, het beginsel van non-refoulement schendt, artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van artikel 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zich ertegen verzet dat die lidstaten die verwijdering uitvoeren. Wanneer de uitvoering van een terugkeerbesluit meebrengt dat een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, wordt verwijderd naar een land waar geen adequate behandeling voorhanden is, kan er in bepaalde gevallen sprake zijn van schending van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn.

Eigenlijk zegt het HvJEU met deze uitspraken dat medische omstandigheden in beginsel nooit kunnen leiden tot verlening van een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, van de Vw 2000, tenzij zich het zeer uitzonderlijke geval zou voordoen dat een ernstig zieke vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst bewust (actief) medische behandeling wordt onthouden. Verder kan onder exceptionele omstandigheden verwijdering van ernstig zieke vreemdelingen in strijd zijn met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, namelijk wanneer de uitvoering van het besluit voor de derdelander een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert. Dat leidt in dat geval niet direct tot toelating, maar eerder tot een (tijdelijk) uitzettingsverbod. In dit verband kan ter vergelijking worden gewezen op het arrest van het HvJEU van 16 februari 2017 in de zaak C.K. e.a. tegen Slovenië[8]. Weliswaar gaat het arrest over overdracht in het kader van de Dublinverordening, maar naar mijn mening geldt dit evenzeer voor uitzetting van een vreemdeling naar diens het land van herkomst. Dit betekent dat de lidstaat die wil overdragen/uitzetten voorzorgsmaatregelen moet treffen die voorkomen dat de gezondheidstoestand van de vreemdeling door de overdracht/uitzetting ernstig verslechtert en dat de overdracht/uitzetting moet worden opgeschort zolang de voorzorgsmaatregelen niet volstaan om te verzekeren dat de vreemdeling geen risico loopt dat zijn gezondheidstoestand aanzienlijk en onomkeerbaar achteruitgaat. In de tussentijd zal de staatssecretaris artikel 64 van de Vw 2000 op de vreemdeling van toepassing achten. Als de uitzetting binnen een jaar niet gerealiseerd kan worden, kan de vreemdeling een aanvraag indienen voor verlening van een reguliere verblijfsvergunning omdat hij buiten zijn schuld om medische redenen niet uit Nederland kan vertrekken[9]. Dit is geregeld in paragraaf B8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), waarin de beleidsregels zijn opgenomen voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven op tijdelijke humanitaire gronden.

De staatssecretaris bleef ondanks de arresten M’Bodj en Abdida door vreemdelingen aangevoerde medische omstandigheden beoordelen in het kader van een asielvergunning. Hij voerde daarop tot voor kort ook beleid, getuige paragraaf C2/3.3 van de Vc 2000, waar het beleid inzake ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 wordt beschreven[10].

Artikel 3 van de Kwalificatierichtlijn biedt lidstaten weliswaar de mogelijkheid om gunstiger normen vast te stellen ter bepaling van wie als vluchteling of als voor subsidiaire bescherming in aanmerking komend persoon wordt erkend, maar dit kan alleen als dat verenigbaar is met deze richtlijn. Het HvJEU heeft in het arrest M’Bodj onomwonden geoordeeld dat artikel 3 van de richtlijn eraan in de weg staat dat een lidstaat bepalingen vaststelt of handhaaft op grond waarvan de in de richtlijn bepaalde subsidiairebeschermingsstatus wordt toegekend aan een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, op grond dat hij risico loopt dat zijn gezondheidstoestand verslechterd omdat in zijn land van herkomst geen adequate behandeling voorhanden is, aangezien dergelijke bepalingen niet verenigbaar zijn met de richtlijn.[11] Hoogste tijd dus voor de staatssecretaris om de besluitvorming en het beleid op dit punt aan te passen, nu de weg voor verlening van een asielvergunning door het  HvJEU al bij genoemde arresten van 18 december 2014 was afgesneden.

In het kader van de ambtshalve toets aan tijdelijke humanitaire gronden voor toelating?
De staatssecretaris kan bij de eerste afwijzing[12] van een asielaanvraag op grond van artikel 3.6a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden als bedoeld in artikel 3.48, tweede lid, onder b, van het Vb 2000.[13] Die ambtshalve bevoegdheid heeft de staatssecretaris blijkens artikel 3.6a, tweede lid, van het Vb 2000 evenwel niet als de eerste asielaanvraag niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 van de Vw 2000[14], niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a van de Vw 2000[15], of buiten behandeling is gesteld op grond van artikel 30c van de Vw 2000[16].

De IND laat ingevolge het door hem gevoerde beleid een ambtshalve toets overigens achterwege wanneer de vreemdeling een zwaar inreisverbod (artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000) of een ongewenstverklaring wordt opgelegd.[17]

De staatssecretaris kan met andere woorden nog wel ambtshalve een verblijfsvergunning regulier onder de beperking: “tijdelijke humanitaire gronden” verlenen als hij de eerste asielaanvraag van de vreemdeling afwijst als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw 2000 of als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b van de Vw 2000. In paragraaf B8 van de Vc 2000 worden de tijdelijke humanitaire gronden genoemd, waaronder de medische behandeling in paragraaf B8/9. Deze paragraaf over medische behandeling lijkt niet te zijn geschreven met de ambtshalve toets in asielzaken in het achterhoofd.

Ingevolge dit beleid dient de vreemdeling namelijk om voor een vergunning ‘humanitair tijdelijk medische behandeling’ in aanmerking te komen te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding en over voldoende middelen van bestaan. De meeste asielzoekers zullen niet (kunnen) voldoen aan die voorwaarde(n). De IND verleent echter vrijstelling van het paspoortvereiste als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • De vreemdeling verblijft in Nederland;
  • Er bestaat voldoende inzicht in de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling. De autoriteiten van het land waarvan de vreemdeling onderdaan is betwisten de identiteit en nationaliteit niet;
  • De vreemdeling toont aan dat de enige mogelijkheid voor de afgifte of verlenging van een geldig document voor grensoverschrijding vereist dat de vreemdeling in persoon terugkeert naar het land van herkomst;
  • Als gevolg van stopzetting van de medische behandeling ontstaat een medische noodsituatie; en
  • De behandeling van de medische klachten kan niet plaatsvinden in het land van herkomst.

Aan de vereisten genoemd bij de tweede bullet kan in asielzaken feite niet worden voldaan, nu de IND hangende de asielprocedure geen contact opneemt met de autoriteiten waarvoor de vreemdeling stelt te vrezen.

Verder dient, zoals gezegd, de vreemdeling te beschikken over voldoende middelen van bestaan voor de kosten van het levensonderhoud gedurende het voorgenomen verblijf in Nederland. De IND wijst de aanvraag af als de kosten die verbonden zijn aan het verblijf van de vreemdeling in Nederland in verband met de medische behandeling uit algemene middelen worden gefinancierd. De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning niet af om de reden dat de vreemdeling niet beschikt over voldoende middelen van bestaan als ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000[18]. Hiermee wordt één aaneengesloten jaar van uitstel van vertrek bedoeld.

Daarnaast bestaat op grond van paragraaf B8/4.1 van de Vc 2000 de mogelijkheid voor de IND om op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 een tijdelijke humanitaire verblijfsvergunning te verlenen aan een vreemdeling die om medische redenen niet kan vertrekken: als door Bureau Medische Advisering is vastgesteld dat de vreemdeling vanwege zijn gezondheidstoestand blijvend niet kan reizen, of is aangetoond dat de vreemdeling en de betrokken instanties alle inspanningen hebben verricht om het vertrek uit Nederland te realiseren, waaronder het verkrijgen van vervangende reisbescheiden, en gebleken is dat de voorgeschreven fysieke overdracht niet te realiseren is.

Ook deze paragraaf is niet geschreven met een ambtshalve toets in asielzaken in gedachten. Integendeel, de ambtshalve toetsing aan het buitenschuldbeleid in de asielprocedure is per 1 april 2014 komen te vervallen, nu de vereiste inspanningen voor een buitenschuldvergunning niet rijmen met de wens van de vreemdeling om in Nederland asiel te krijgen.[19] Nu zou men nog kunnen zeggen dat ook de omstandigheid dat het BMA vaststelt dat de vreemdeling vanwege zijn gezondheidstoestand blijvend niet kan reizen, dus los van de vraag of de vreemdeling alle inspanningen heeft verricht om zijn vertrek te realiseren, aanleiding kan zijn om een buitenschuldvergunning te verlenen, maar artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 wordt niet genoemd in artikel 3.6a van het Vb 2000.

In het kader van artikel 64 van de Vw 2000 of toch niet vanwege artikel 3.6b Vb 2000?
Aangezien de meeste asielzoekers niet zullen beschikken over voldoende middelen van bestaan om zelfstandig in hun levensonderhoud te voorzien en, zoals blijkt, aan het paspoortvereiste (geldig document voor grensoverschrijding) ook haken en ogen zitten, lijkt voor hen tot op heden de enige mogelijkheid te zijn om hun medische problemen succesvol naar voren te brengen in het kader van de uitzetting wegens strijd met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn[20] en/of in hun (impliciete) verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000.[21] Gelet op de huidige wet- en regelgeving zou dat naar mijn mening alleen anders kunnen komen te liggen als de staatssecretaris gebruik maakt van zijn bevoegdheid om onverminderd de artikelen 3.6 en 3.6a op grond van artikel 3.6b, aanhef en onder a, van het Vb 2000, een vergunning onder een beperking verband houdend met medische behandeling te verlenen. Mij zijn geen zaken bekend waarin de staatssecretaris van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, dan wel van gebruikmaking van die bevoegdheid expliciet heeft afgezien nadat de vreemdeling daarop een beroep had gedaan. Gelet op de brief van de staatssecretaris van 11 april 2017 ligt een resurrectie van artikel 3.6b, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 van de zijde van de staatssecretaris niet in het verschiet en zullen (onderbouwde) medische omstandigheden enkel worden beoordeeld in het kader van de uitzetting en artikel 64 van de Vw 2000.

De brief van de staatssecretaris van 11 april 2017 n.a.v. het arrest Paposhvili
De staatssecretaris heeft bij brief van 11 april 2017[22] aan de Voorzitter van de Tweede Kamer laten weten dat het in Nederland reeds staande praktijk is dat bij een afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in de meeromvattende beschikkingen door de IND beoordeeld wordt of de (onderbouwde) medische omstandigheden grond zijn voor het – tijdelijk – achterwege laten van de uitzetting (toepassing van artikel 64 van de Vw 2000). Een vreemdeling kan ook, los van een asielprocedure, een verzoek doen om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. Bij een vreemdeling die lijdt aan een ziekte waarvan vaststaat[23] dat het achterwege blijven van een behandeling binnen drie maanden zou leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade, wordt reeds thans uitzetting achterwege gelaten op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

Volgens de staatssecretaris wordt bij de beoordeling gekeken of de (noodzakelijke) medische zorg in het herkomstland beschikbaar is. Indien de medische toestand van de vreemdeling valt onder de reikwijdte van de hiervoor beschreven norm (lijdt aan een ziekte waarvan vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen drie maanden zou leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade) én evident is dat de noodzakelijke zorg bij terugkeer in het land van herkomst niet beschikbaar of toegankelijk is, wordt de uitzetting van de vreemdeling achterwege gelaten op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Na een jaar onafgebroken verblijf op grond van artikel 64 van de Vw 2000 kan de vreemdeling een reguliere vergunning op tijdelijke humanitaire gronden aanvragen. Voor het aanvragen van deze vergunning zullen geen leges worden gevraagd van de vreemdeling. Het verstrekken van deze verblijfstitels aan ernstig zieke vreemdelingen in relatie tot artikel 3 EVRM, in plaats van een asielvergunning, sluit, aldus de staatssecretaris, aan bij het arrest van het HvJEU in de zaak M’Bodj tegen de Belgische staat. Volgens de staatssecretaris heeft het HvJEU in die uitspraak geoordeeld dat een verzoek om toelating op medische gronden niet is te zien als een verzoek om asielbescherming en daarom niet valt onder de werkingssfeer van de EU-Procedurerichtlijn.

Mij is nog niet helemaal duidelijk over welke reguliere vergunning op tijdelijke humanitaire gronden de staatssecretaris het specifiek heeft. Hij doelt denk ik niet op een vergunning onder de beperking ‘medische behandeling’, nu daarvoor het paspoortvereiste blijft gelden, ook na een jaar aaneengesloten uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000.[24] Zeer waarschijnlijk heeft de staatssecretaris een reguliere vergunning op het oog vanwege de omstandigheid dat de vreemdeling om medische redenen buiten zijn schuld niet kan vertrekken, maar niet geheel valt uit te sluiten dat hij een vergunning regulier onder de (nieuwe) beperking ‘3 EVRM-medisch’ voor ogen heeft.

De staatssecretaris vervolgt in zijn brief dat, indien een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat noodzakelijk geachte medische zorg in het land van herkomst voor hem niet toegankelijk is en er derhalve, zoals bedoeld in de uitspraak Paposhvili, reden is om aan te nemen dat de vreemdeling zonder individuele garanties hier geen toegang toe heeft, de IND in het besluit zal opnemen welke voorwaarden door de DT&V gerealiseerd dienen te worden alvorens tot uitzetting kan worden overgegaan. In afwachting van de invulling van deze voorwaarden zal dan aan de vreemdeling tijdelijk rechtmatig verblijf en opvang kunnen worden geboden op grond van artikel 64 van de Vw 2000[25].

De staatssecretaris meent dat hij met dit toetsingskader invulling geeft aan de door het EHRM geïdentificeerde “uitzonderlijke omstandigheden” bij uitzetting van ernstig zieke vreemdelingen, daarbij de terughoudendheid van het EHRM in acht nemend.

Laat ik het erop houden dat door uitzetting achterwege te laten bij dergelijke medische omstandigheden in ieder geval wordt voorkomen dat een ernstig zieke vreemdeling aan een met artikel 3 EVRM strijdige situatie wordt blootgesteld.

Stijn, april 2017

[1] EHRM 2 mei 1997 in de zaak D. tegen het Verenigd Koninkrijk (St. Kitts), ECLI:CE:ECHR:1997:0502JUD003024096, RV 1997/70; EHRM 6 februari 2001 in de zaak Bensaid tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2001:0206JUD004459998; en EHRM 27 mei 2008 in de zaak N. tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0527JUD002656505, JV 2008/266.
[2] EHRM 13 december 2016, nr. 41738/10, ECLI:CE:ECHR: 2016:1213JUD004173810, NJB 2017/467 en JV 2017/22 (met noot prof. mr. B.E.P. Meyjer).
[3] mr. B. Wegelin: “EHRM gooit roer om in medische zaken”, A&MR 2017, nr. 2, p. 61-66.
[4] Annotatie van prof.mr. B.E.P Meyjer in JV 2017/22.
[5] Letterlijke implementatie van artikel 15, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn.
[6] HvJEU 18 december 2014, zaaknr. C-542/13, ECLI:EU:C:2014:2452.
[7] HvJEU 18 december 2014, zaaknr. C-562/13, ECLI:EU:C:2014:2453, JV 2015/59 (met noot mr. dr. F.F. Larsson).
[8] HvJEU 16 februari 2017, C-578/16, ECLI:EU:C:2017:127.
[9] Zie IND-werkinstructie 2007/12 en B8/4.1 van de Vc 2000: De IND verleent op grond van artikel 3.48 lid 2, aanhef en onder a, van het Vb 2000 een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die om medische redenen niet kan vertrekken als zijn Bureau Medische Advisering heeft vastgesteld dat de vreemdeling vanwege zijn gezondheidstoestand blijvend niet kan reizen of is aangetoond dat de vreemdeling en de betrokken instanties alle inspanningen hebben verricht om het vertrek uit Nederland te realiseren, waaronder het verkrijgen van vervangende reisbescheiden, en gebleken is dat de voorgeschreven fysieke overdracht niet te realiseren is.
[10] Zie onder ‘Medische omstandigheden’, waarin de IND aangeeft dat hij (?) beoordeelt of uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten vreemdeling onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, leidt tot ernstige schade.
[11] Zie paragraaf 43 van het arrest.
[12] Dus niet bij een opvolgende asielaanvraag.
[13] Tot op heden lijken er nog weinig advocaten te zijn die voor dit anker gaan liggen. Anders in de zaak waarin de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, op 29 maart 2017 (AWB 17/4542 en ECLI:NL:RBOBR:2017:1830) uitspraak heeft gedaan, maar daar had de vreemdeling zijn gestelde medische problemen en een eventueel daarvoor noodzakelijke behandeling op geen enkel wijze onderbouwd, zodat het beroep op artikel 3.6a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 reeds daarom strandde.
[14] D.w.z. aanvragen die niet in behandeling worden genomen omdat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
[15] D.w.z. aanvragen die niet-ontvankelijk zijn verklaard omdat de vreemdeling in een andere lidstaat van de EU internationale bescherming geniet, de vreemdeling is erkend als vluchteling in een derde land en hij die bescherming nog kan genieten of anderszins voldoende bescherming geniet in dat land en opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten, een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd, de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag, dan wel aan de vreemdeling reeds een verblijfsvergunning is verleend op grond van artikel 29, eerste lid.
[16] D.w.z. aanvragen die buiten behandeling worden gesteld omdat de vreemdeling heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang zijn voor zijn aanvraag, de vreemdeling niet is verschenen bij een gehoor en hij niet binnen een termijn van twee weken heeft aangetoond dat dit niet aan hem is toe te rekenen, of de vreemdeling is verdwenen of zonder toestemming is vertrokken en hierover niet binnen een termijn van twee weken contact heeft opgenomen met de bevoegde autoriteiten.
[17] Zie paragraaf C1/4.5 van de Vc 2000 over de ambtshalve toets.
[18] Artikel 64 van de Vw 2000: Uitzetting blijft achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen. Uit paragraaf A3/7.3 van de Vc 2000 volgt dat rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000 vanwege artikel 64 steeds voor hooguit drie maanden wordt verleend.
[19] Zie herschikking asielgronden, blog stijnskijkopasielrecht juni 2014.
[20] Zie bijvoorbeeld rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 16 oktober 2015, AWB 15/13550 (ECLI:NL:RBDHA:2015:12174), waarin de rechtbank heeft beoordeeld of de verwijdering van de vreemdeling naar het land van herkomst in verband met zijn medische situatie in strijd is met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn
[21] Ook impliciet, aangezien de staatssecretaris op grond van artikel 6.1e, eerste lid, van het Vb 2000 bij afwijzing van de eerste aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, ambtshalve beoordeelt of er reden is voor toepassing van artikel 64 van de Wet, tenzij op grond van artikel 3.6a, eerste lid, alsnog ambtshalve een verblijfsvergunning is verstrekt. Dit wordt ook de ‘parallelle procedure’ genoemd. Het beleid inzake de parallelle procedure is neergelegd in paragraaf A3/7.3 van de Vc 2000.
[22] Kenmerk 2059065.
[23] Is ‘vaststaan’ niet een veel te zwaar criterium in het kader van artikel 3 van het EVRM en is niet al voldoende dat sprake is van een reëel en voorzienbaar risico?
[24] Het inkomensvereiste vervalt wel na dat jaar aaneengesloten uitstel van vertrek wegens 64 van de Vw 2000.
[25] Zuiverder lijkt mij om te zeggen dat de vreemdeling dan rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000.

Een daadwerkelijk rechtsmiddel

Een beroep op artikel 46, eerste en derde lid, van Richtlijn 2013/32/EU

De komende tijd kunnen asielrechters in zaken geconfronteerd worden met een beroep op artikel 46, eerste en derde lid, van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (de herschikking van de Procedurerichtlijn). Hierin is bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat en dat de lidstaten, teneinde hieraan te voldoen, ervoor zorgen dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU (herschikking Definitierichtlijn), zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.

Advocaten zullen in deze bepaling lezen dat de rechter, anders dan tot op heden het geval is, niet langer met terughoudendheid het standpunt van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (het bestuursorgaan) over de geloofwaardigheid van een asielrelaas mag toetsen, maar dat hij dit vol moet verrichten en daarbij – zo nodig – zelf aan feitenonderzoek dient te doen.

Een asielrechter zou een dergelijk beroep kunnen pareren met de overweging dat Richtlijn 2013/32/EU eerst uiterlijk op 20 juli 2015 geïmplementeerd hoeft te zijn in het nationale recht en dat derhalve op artikel 46 van die richtlijn nog geen beroep kan worden gedaan. Zo volgt uit de arresten van het HvJ EU van 4 juli 2006, inzake Adeneler, C-212/04, NJ 2006/539, en van 27 juni 2013 inzake VG Wort, C-457/11 tot en met C-460/11, dat voor de nationale rechter eerst vanaf het verstrijken van de omzettingstermijn de algemene verplichting geldt om het interne recht richtlijnconform uit te leggen. Zo de jurisprudentie van de Afdeling over de marginale toetsing al dient te worden aangemerkt als intern recht, bestaat thans dus geen verplichting voor de rechter om tot richtlijnconforme interpretatie over te gaan.

Persoonlijk ben ik met het oog op de toekomst geïnteresseerd of met artikel 46 van de richtlijn een wijziging van recht is beoogd. Om hier een mogelijk antwoord op te vinden, is het van belang om te weten dat het asielrecht deel uitmaakt van het bestuursrecht. Het is naar mijn mening om die reden dat de Afdeling al in juli 2002 liet weten dat het bestuursorgaan beoordelingsruimte toekomt met betrekking tot de vraag of een asielrelaas geloofwaardig is te achten en dat de rechter dit standpunt marginaal dient te toetsen.[1] In haar uitspraak van 27 januari 2003[2] legde de Afdeling uit waarom het bestuursorgaan die ruimte toekomt. Volgens de Afdeling beoordeelt het bestuursorgaan de geloofwaardigheid van het asielrelaas op basis van uitvoerige gehoren en door vergelijking van het relaas met al datgene wat hij over de situatie in het land van herkomst weet uit ambtsberichten en andere objectieve bronnen en wat hij eerder heeft onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere asielzoekers in een vergelijkbaar geval. Dit overzicht stelt hem in staat die beoordeling vergelijkenderwijs en derhalve geobjectiveerd te verrichten, aldus de Afdeling. Naar het oordeel van de Afdeling is de bestuursrechter niet in staat de geloofwaardigheid op vergelijkbare wijze te beoordelen en dient hij het standpunt van het bestuursorgaan over de geloofwaardigheid dan ook marginaal te toetsen.

Deze rechtspraak van de Afdeling is later, zij het in ietwat andere bewoordingen, overgenomen door voormalig staatssecretaris Albayrak in reactie op het initiatiefwetsvoorstel van Pechtold en Van de Ham om in de Vreemdelingenwet 2000 een artikel (artikel 82a) op te nemen waarin zou worden bepaald dat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening houdt met door de vreemdeling afgelegde verklaringen en overgelegde bewijsmiddelen, voor zover zij de daarin gestelde feiten en vermoedens geloofwaardig acht.[3] Op 9 september 2013 wil Tweede Kamerlid Gerard Schouw van D66 opnieuw een initiatief wetsvoorstel hierover indienen (http://nos.nl/artikel/549204-d66-inhoudelijke-rol-asielrechter.html). In dit wetsvoorstel staat dat rechters zelf onderzoek moeten kunnen doen in asielzaken, en niet alleen maar moeten afgaan op de conclusies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

Albayrak liet in haar brief van 27 januari 2010 aan de Voorzitter van de Eerste Kamer weten dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van het relaas in het bestuursrecht in eerste instantie aan het bestuursorgaan is. Volgens haar zit bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de kennis, expertise, tijd, energie en het geld om uitgebreid op alle feiten die worden aangedragen in te gaan, om onderzoek te doen, om taalanalyses te doen en om uitgebreid te onderzoeken of een verhaal klopt. Als rechters ten volle alles wat de IND heeft gedaan, zouden moeten narekenen en overdoen, zou de verantwoordelijkheid van het bestuursrecht naar de rechter verschuiven, hetgeen in het bestuursrecht nooit de bedoeling is, aldus Albayrak.[4]

De marginale toetsing neemt niet weg – en dat lijkt soms te zijn vergeten – dat de rechter dient te beoordelen of het besluit zorgvuldig is voorbereid en voorzien is van een draagkrachtige motivering, zoals de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorschrijven. Daarbij komt dat de rechter, gegeven de beoordeling van geloofwaardigheid van een relaas in een individueel geval, vol dient te toetsen of de wel geloofwaardig te achten feiten betekenen dat de betreffende vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst heeft te vrezen voor vervolging in de zin van artikel 1(A) van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (het Vluchtelingenverdrag), of voor schending jegens hem van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM).[5] Daarnaast is het zo dat artikel 83 van de Vw 2000 in 2010 is gewijzigd (lees: verruimd), in die zin dat de rechter niet alleen nieuw gebleken feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het bestreden besluit bij het beroep betrekt, maar alle feiten en bewijsmiddelen die na het bestreden besluit zijn aangevoerd, dan wel overgelegd.

Men kan zich de vraag stellen of met vorengenoemde waarborgen en procedurele mogelijkheden niet al is voldaan aan artikel 46 van de Richtlijn. De toenmalige minister voor Immigratie, Integratie en Asiel liet in ieder geval naar aanleiding van vragen over de richtlijn in zijn brief van 24 juli 2012 aan de Voorzitter van de Eerste Kamer weten dat Nederland ten aanzien van de rechterlijke toetsing steeds op het standpunt heeft gestaan dat de rechterlijke toetsing ook de feiten omvat. Volgens de minister toetst de rechter in het Nederlandse systeem zonder beperking of er een grond voor toelating is in het licht van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Voor wat betreft de beoordeling van de geloofwaardigheid heeft Nederland betoogd dat deze in eerste instantie aan het bestuursorgaan is. De beslisautoriteit is immers bij uitstek de instantie waar de kennis, expertise, tijd en het geld aanwezig zijn om uitgebreid in te gaan op alle feiten die worden aangedragen, om onderzoek te doen, om taalanalyses te doen en om uitgebreid te onderzoeken of een verhaal klopt, aldus de minister.[6]

De minister leest artikel 46, derde lid, van de Richtlijn kennelijk aldus, dat de lidstaten ervoor zorgen dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de door het bestuursorgaan geloofwaardig geachte feiten als juridische gronden omvat. Ik kan niet uitsluiten dat die lezing juist is. Dat zou betekenen dat artikel 46 voor Nederland geen wijziging van recht inhoudt en daarom niet hoeft te worden omgezet naar nationaal recht.
De mogelijkheid blijft echter bestaan dat artikel 46 zo moet worden gelezen, dat de lidstaten ervoor zorgen dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de door de vreemdeling gestelde feiten als juridische gronden omvat.[7]
Het te zijner tijd stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU lijkt dan ook welhaast onvermijdelijk.

Veronderstel dat uit de beantwoording van de prejudiciële vragen volgt dat het laatste met artikel 46 van de richtlijn is bedoeld en de rechter dus zelfstandig dient te beoordelen of hij het asielrelaas geloofwaardig acht, is dan sprake van een voor de vreemdeling relevante wijziging van recht?
Ik meen vooralsnog dat die vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Er wordt immers geen nieuwe toelatingsgrond asiel mee gecreëerd.[8] Dat veel advocaten kennelijk denken dat een volle toets en feitenonderzoek door de rechter tot gunstiger resultaten voor hun cliënten zullen leiden, is iets anders.[9] Bovendien zou die veronderstelling wel eens op een misvatting kunnen berusten. Niet valt in te zien waarom de rechter niet evenals het bestuursorgaan tot de conclusie komt dat het vluchtverhaal positieve overtuigingskracht mist en ongeloofwaardig is. Het zou zelfs zo maar kunnen dat een rechter na grondig onderzoek tot het oordeel komt dat een asielrelaas ongeloofwaardig is, terwijl het bestuursorgaan dezelfde gestelde feiten niet zwaarwegend genoeg vindt om internationale bescherming te bieden. En wat dan? Gaat de advocatuur dan in hoger beroep betogen dat de rechter ingevolge artikel 8:69 van de Awb buiten de grenzen van het geschil is getreden en dat diens oordeel bovendien in strijd is met het verbod van reformatio in peius?[10]
En wat zal dan daarop het antwoord van de Afdeling zijn? Nee, hoor, want in de Vw 2000 is vanaf 21 juli 2015 een artikel opgenomen waarin de rechter wordt opgedragen om vol te toetsen en zelfstandig onderzoek te doen en het nu eenmaal zo is dat de lex specialis, de Vw 2000, voorrang heeft boven de lex generalis, de Awb?[11] En van strijd met het verbod van reformatio in peius is evenmin sprake, nu de vreemdeling al een afwijzend besluit op zijn aanvraag had, zodat hij door het instellen van beroep niet in een slechtere positie is gekomen?

Afijn, zorgen voor de dag na morgen. Nog even tijd om te laten bezinken en rustig over na te denken.

mr. A.A.M.J. Smulders[12]
September 2013.

[1] ABRS 9 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE6677.
[2] ABRS 27 januari 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF5566.
[3] Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 30830, nr.8.
[4] Eerste Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 32218 en 32219, B.
[5] Onder meer ABRS 15 november 2002, zaaknummer 200205536/1.
[6] Brief van 24 juli 2012, kenmerk 2012-0000381641.
[7] Zie bijvoorbeeld de full en ex nunc toetsing van het EHRM in de zaak Salah Seekh tegen Nederland, ECLI:NL:XX:2007:AZ5971.
[8] Dat is mijn enige puntje van kritiek op de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 22 augustus 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:5084, omdat in die zaak waarin een opvolgende asielaanvraag voorlag, door de voorzieningenrechter de suggestie wordt gewekt dat artikel 46 van de Richtlijn een relevante wijziging van recht (op toelating) is en tot het oordeel zou hebben geleid dat geen sprake is van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb als de omzettingstermijn zou zijn verstreken.
[9] De veronderstelling dat rechters het verschil kunnen maken als ze maar vol zouden toetsen, leid ik af uit het feit dat advocaten menigmaal in beroep betogen dat de rechter hiertoe gehouden is op grond van jurisprudentie van het EHRM.
[10] In het Nederlandse bestuursrecht geldt een verbod van reformatio in peius: een burger mag door het instellen van bezwaar en beroep er niet nog slechter voor komen te staan dan het geval was voordat hij aan de procedure begon.
[11] Lex specialis derogat legi generali.
[12] Stijn Smulders is stafjurist asiel bij de rechtbank Oost-Brabant. Hij schreef dit artikel echter louter op persoonlijke titel en voornamelijk om zijn gedachten te vormen over de betekenis en gevolgen van artikel 46 van Richtlijn 2013/32/EU. Derden kunnen hieraan dan ook geen rechten ontlenen.

Het toerekenbaar ontbreken van documenten in het asielrecht

Ontstaansgeschiedenis van artikel 31, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
Het was algemeen bekend dat er asielzoekers waren die met opzet hun papieren kwijt maakten, zodat ze moeilijker uitzetbaar waren, er moeilijker een Dublinclaim gelegd kon worden of een derde-landen-exceptie kon worden tegengeworpen. Om die reden trad op 1 februari 1999 de Wet ongedocumenteerden in werking (artikel 15c, eerste lid, onder f, van de Vw oud), zoals thans neergelegd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Uitgangspunt van deze wet is dat van de asielzoeker die hier te lande bescherming vraagt, verlangd mag en kan worden dat hij zoveel mogelijk meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit, reisroute en – waar mogelijk – van zijn asielrelaas.

De parlementaire geschiedenis van artikel 15c, lid 1, f Vw oud wordt beschreven in een noot van Spijkerboer onder de uitspraak van de president van de rechtbank ’s-Gravenhage van
31 maart 1999 (AWB 99/2056), gepubliceerd in Rechtspraak Vreemdelingenrecht (RV) 1999, 13. Spijkerboer geeft o.a. aan dat de wetgever het oog heeft gehad op documenten die als formeel of informeel bewijs voor de toepassing van de Overeenkomst van Dublin dienst kunnen doen (TK 1997-1998, 26 088, nr. 3, p. 3). In een aantal voorbeelden dat werd besproken werden genoemd: paspoort, boardingpass, vliegticket, kofferlabel, foto’s, trouwboekje, kledingmerkjes (EK 1998-1999, 26 088. nr. 138a, p. 6-7). Eerder was gesproken over arrestatiebevelen en schriftelijke oproepen voor militaire dienst (TK 1997-1998, 26 008, nr. 5. p. 8), terwijl later ook bonnetjes en hotelrekeningen werden genoemd (Hand EK 19 januari 1999, p. 16-494).

Bij de vraag wanneer het ontbreken van documenten niet aan de asielzoeker is toe te rekenen, merkt Spijkerboer op dat in het oorspronkelijke wetsontwerp stond dat de asielzoeker de niet-toerekenbaarheid moest aantonen. De Raad van State stelde echter dat ook een bonafide asielzoeker niet zal kunnen aantonen dat het ontbreken van reisdocumenten hem niet kan worden toegerekend. Daarom meende de Raad van State dat het, mede gezien het Vluchtelingenverdrag, onjuist was de bewijslast uitsluitend op de vreemdeling te leggen, en suggereerde een minder stringente formulering zoals “aannemelijk maken”. Dit advies werd gevolgd. “Aannemelijk maken” houdt volgens de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer in dat sprake moet zijn van geloofwaardige en consistente verklaringen.

Deze “aannemelijkheidsbeoordeling” is neergelegd in beleid van het bestuursorgaan. Thans is in paragraaf C2/6./2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) neergelegd dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van documenten niet aan hem is toe te rekenen als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
· de verklaringen van de vreemdeling over zijn identiteit, nationaliteit, reisroute en asielrelaas en over het ontbreken van documenten zijn consistent, geloofwaardig, gedetailleerd en verifieerbaar;
· Deze verklaringen komen overeen met hetgeen overigens bekend is met betrekking tot de identiteit, nationaliteit, reisroute en het asielrelaas van de vreemdeling

Onder “hetgeen overigens bekend is”, verstaat de Immigratie- en naturalisatiedienst (IND) bij het ontbreken van documenten met betrekking tot de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling in ieder geval:
· de situatie in het land van herkomst;
· de onderzoeksresultaten na het controleren van de registratiesystemen (registratie van de vreemdeling in Nederland en eventuele bekendheid van de vreemdeling bij andere lidstaten van de Europese Unie (EU).

De rechtbank dient deze beoordeling door het bestuursorgaan marginaal te toetsen en kan dus niet haar eigen oordeel hiervoor in de plaats stellen.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een asielzoeker op uiteenlopende manieren aannemelijk kan maken dat het ontbreken van documenten niet toerekenbaar is. Over het algemeen kan worden gezegd dat het ontbreken van de benodigde papieren niet toerekenbaar is als de documenten niet door schuld of nalatigheid zijn zoekgeraakt (TK 1997-1998, 26 088, nr. 3. p. 3). Als bijvoorbeeld in een land elk centraal gezag ontbreekt, kan geen paspoort worden gevraagd; in sommige landen raken de leden van een bepaalde bevolkingsgroep in de problemen als zij enig officieel document aanvragen of over een bepaald document beschikken. Maar asielzoekers die via Schiphol de EU zijn ingereisd moeten bij de instap een document hebben gehad; van hen zal niet worden aangenomen dat het ontbreken van reisdocumenten verschoonbaar is (TK 1997-1998, 26 088, nr. 5, p. 9-10). Als asielzoekers hun documenten afgeven aan de reisagent dan is dat alleen niet toerekenbaar als dat onder dwang gebeurde (Hand TK 26 november 1998, p. 30-2116), en anders is het wel toerekenbaar omdat de asielzoeker op het moment dat de papieren aan de reisagent worden afgegeven meestal al in een land is waar de bescherming van de autoriteiten kan worden ingeroepen (TK 1997-1998, 26 088, nr. 3, p. 3).[1]

In paragraaf C2/6.2.3 van de Vc 2000 staat dat als de vreemdeling aannemelijk maakt dat de documenten onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd meewerkt en geloofwaardig is, is het ontbreken van documenten niet aan hem toe te rekenen.

Let wel: het gaat niet altijd om de situatie waarin de vreemdeling zijn documenten afgeeft. Soms stelt een vreemdeling dat hij die documenten nimmer in zijn bezit heeft gehad en gedurende de gehele reis in handen zijn geweest van de reisagent. In dat geval dient de vreemdeling zowel geloofwaardig te maken dat hij zo heeft kunnen reizen als aannemelijk te maken waarom hij niet in het bezit van deze documenten heeft kunnen geraken.[2]
De Wet ongedocumenteerden is niet in strijd met het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (het Vluchtelingenverdrag). Echte vluchtelingen hebben doorgaans niet snel de mogelijkheid om documenten mee te nemen. Om niet in strijd te handelen met het verbod van refoulement is er destijds door de wetgever voor gekozen dat het toerekenbaar ontbreken van documenten niet zal leiden tot niet-ontvankelijkheid, maar tot kennelijke ongegrondheid van de aanvraag en dan alleen als de aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf of in verband met andere feiten en omstandigheden in redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat rechtsgrond voor toelating bestaat. Het toerekenbaar ontbreken van documenten is met andere woorden geen zelfstandige grond om de asielaanvraag af te wijzen, maar een omstandigheid die bij de beoordeling van de asielaanvraag zal worden betrokken. Dit blijkt niet alleen uit de redactie van artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000, maar ook uit paragraaf C2/6.2.3 van de Vc 2000, waarin staat dat het toerekenbaar ontbreken van documenten gevolgen heeft voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

De verzwaarde eis van de positieve overtuigingskracht
Het gevolg van het toerekenbaar ontbreken van documenten maakt dat wordt getwijfeld aan de oprechte bedoelingen van de asielzoeker. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) meermaals heeft overwogen, mogen, indien aan een vreemdeling het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 mag worden tegengeworpen, ingevolge het eerste lid van dat artikel, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3. p. 40/41) en ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas, om het geloofwaardig te achten, geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het relaas moet in dat geval positieve overtuigingskracht uitgaan.[3]

In latere uitspraken legt de Afdeling uit dat de beoordeling van de geloofwaardigheid in twee fasen verloopt.[4] Indien omtrent de eerste fase wordt geoordeeld dat de desbetreffende vreemdeling met inroeping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 mag worden tegengeworpen dat hij bepaalde, nader omschreven documenten niet heeft overgelegd, geldt voor de tweede fase van de beoordeling dat de verzwaarde eis van de positieve overtuigingskracht mag worden gesteld. Aan de zin van deze gefaseerde beoordeling zou volgens de Afdeling afbreuk worden gedaan indien de positieve overtuigingskracht van het asielrelaas vervolgens zou mogen worden ontkend, mede of zelfs overwegend op grond van het niet overleggen van dezelfde documenten die in het kader van de toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 zijn vermeld.

Het bestuursorgaan kan dus bijvoorbeeld niet zeggen dat van het relaas van een asielzoeker positieve overtuigingskracht moet uitgaan omdat hij toerekenbaar zijn arrestatiebevel niet heeft overgelegd en vervolgens het ontbreken van dit arrestatiebevel ten grondslag leggen aan zijn standpunt dat van het relaas van de asielzoeker geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Dan is er sprake van een cirkelredenering, waarover later meer.

De visie van de Afdeling op de in dit verband meest voorkomende geschilpunten
Kan artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 alleen worden tegengeworpen als het asielrelaas ongeloofwaardig is geacht door het bestuursorgaan?
Nee, het bestuursorgaan kan artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 ook tegenwerpen als het asielrelaas niet ongeloofwaardig is bevonden, zo oordeelde de Afdeling in haar uitspraak van 23 april 2003.[5]

Het bestuursorgaan mag altijd het ontbreken van documenten tegenwerpen, ook als het vervolgens bij de inhoudelijke beoordeling van het relaas niet tot de conclusie komt dat het ongeloofwaardig is te achten.[6]

Iets anders is of aan het tegenwerpen van documenten nog wel zelfstandige betekenis toekomt als het bestuursorgaan zich vervolgens niet op het standpunt stelt dat het asielrelaas vanwege het missen van positieve overtuigingskracht ongeloofwaardig is.
Volgens de Bossche uitspraak van 25 oktober 2004 (AWB 02/40414) niet. De rechtbank overweegt in die uitspraak, dat niet valt in te zien dat nog zelfstandige betekenis toekomt aan toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 indien de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet ter discussie staat. Om die reden beperkte de rechtbank zich in deze uitspraak tot de vraag of de vreemdeling aannemelijk had gemaakt dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan, die de vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen. De rechtbank stapte dus over de beoordeling van het toerekenbaar ontbreken van documenten heen.

Geredeneerd zou ook kunnen worden dat de tegenwerping van 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 – ook als de door de vreemdeling gestelde feiten door het bestuursorgaan geloofwaardig zijn geacht, niet zonder betekenis is, aangezien de verklaringen van de asielzoeker het bestuursorgaan dus kennelijk positief hebben overtuigd. Verder dient de rechtbank ingevolge artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak te doen op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het onderzoek ter zitting. De vreemdeling kan belang hebben bij een beoordeling van zijn beroepsgrond(en) tegen de tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, omdat deze tegenwerping anders in rechte komt vast te staan. Dit kan weer consequenties hebben voor eventuele vervolgprocedures, bijvoorbeeld wanneer de vreemdeling een opvolgende asielaanvraag doet.

Welke documenten zijn noodzakelijk voor de beoordeling van de asielaanvraag?
Het is aan het bestuursorgaan om te bepalen welke documenten noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Het bestuursorgaan laat in het voornemen en het bestreden besluit weten welke documenten het (nog meer) van de vreemdeling verlangt. Ook als het bestuursorgaan niet twijfelt aan de identiteit en de nationaliteit van een asielzoeker, kan het de asielzoeker het ontbreken van een paspoort tegenwerpen.[7] De rechtbank kan het standpunt van het bestuursorgaan over welke documenten het noodzakelijk acht voor de beoordeling van de aanvraag slechts marginaal toetsen.[8] De besluitvorming hieromtrent dient uiteraard wel te voldoen aan de eis van met name zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering.

Het bestuursorgaan kan ook toepassing geven aan artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 als slechts ten aanzien van één van de elementen, bijvoorbeeld de reisroute, toerekenbaar documenten ontbreken terwijl de vreemdeling de andere elementen wel voldoende met documenten heeft onderbouwd. In dit kader kan worden gewezen op de Afdelingsuitspraak van 23 oktober 2003, waarin een vreemdeling ter staving van zijn identiteit, nationaliteit en asielrelaas meerdere officiële documenten had overgelegd, maar ter staving van zijn reisroute geen enkel formeel dan wel indicatief bewijs had overgelegd en evenmin gedetailleerde verklaringen had afgelegd.[9]

Verder blijkt uit de Afdelingsuitspraak van 31 oktober 2002 dat het bestuursorgaan zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat het overleggen van een rijbewijs door de vreemdeling onverlet laat dat het niet overleggen van documenten die zijn reisverhaal ondersteunen en het achterlaten van cruciale reis- en identiteitspapieren als een paspoort en een geboorteakte aan hem is toe te rekenen.[10]

In de Afdelingsuitspraak van 5 november 2002 werd geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte was ingegaan op de vraag of een rijbewijs toereikend is om de identiteit van de vreemdeling aan te tonen. Volgens de Afdeling heeft het bestuursorgaan zich in het bestreden besluit op het standpunt mogen stellen dat aan de overgelegde kopie van het rijbewijs niet de waarde kon worden gehecht die de vreemdeling hieraan gehecht wenste te zien, al omdat het niet op authenticiteit kon worden onderzocht.[11]

De Afdeling oordeelde daarnaast in haar uitspraak van 23 april 2003 dat het bestuursorgaan de verklaring van de vreemdeling dat haar paspoort door haar schoonfamilie is toegeëigend en het niet mogelijk was bij de Nigeriaanse autoriteiten een nieuw paspoort aan te vragen niet genoegzaam heeft behoeven te achten, reeds nu niet is gesteld dat de vreemdeling daartoe enige moeite heeft gedaan. Volgens de Afdeling had het bestuursorgaan verder terecht de door de vreemdeling overgelegde huwelijksakte niet als een officieel identiteits- of nationaliteitsdocument aangemerkt.[12]

In asielzaken wordt af en toe door advocaten betoogd dat het gaat om documenten die de reis naar Nederland onderbouwen en niet om documenten die de verdere reis in Nederland aannemelijk maken. Volgens hen doet bijvoorbeeld dan ook niet ter zake dat een asielzoeker zijn voor zijn reis in Nederland gebruikte trein- en/of busticket niet meer heeft.
Hier kan anders over worden gedacht. Het is, zoals gezegd, aan het bestuursorgaan om te bepalen welke documenten het noodzakelijk acht ter beoordeling van de asielaanvraag. Verder valt niet goed in te zien waarom van een vreemdeling niet zou mogen worden verlangd dat hij de voor zijn reis in Nederland gebruikte documenten bij zijn asielaanvraag overlegt. Zeker niet als hij die bescheiden in zijn bezit heeft gehad en daarmee aannemelijk kan maken dat hij het laatste stuk van het traject op die manier heeft afgelegd.

Evenmin onredelijk lijkt het als het bestuursorgaan een asielzoeker toerekent dat hij zijn paspoort niet heeft ingebracht, ook al stelt deze dat het bestuursorgaan daar niets aan heeft omdat hij het land van herkomst op een vals paspoort heeft verlaten. Met het overleggen van het authentieke op zijn naam gestelde paspoort zou de vreemdeling namelijk aannemelijk kunnen maken – bijvoorbeeld doordat een uitreisstempel ontbreekt – dat hij niet op dat document zijn land heeft verlaten. Bovendien geldt het paspoort als onderbouwing van de door de asielzoeker gestelde identiteit en nationaliteit.

Kan verweerder een vreemdeling nog het ontbreken van reisdocumenten, waaronder begrepen indicatieve bewijzen, toerekenen ook al heeft die vreemdeling gedetailleerde en verifieerbare verklaringen afgelegd over zijn reis?

Ja, dat kan. Het bestuursorgaan buigt zich eerst over de vraag of sprake is van het toerekenbaar ontbreken van reisdocumenten. De verklaringen van de asielzoeker over het ontbreken van documenten dienen consistent, geloofwaardig, gedetailleerd en verifieerbaar te zijn. In het beleid dat voor 2013 gold (zie paragraaf C4/3.6.2 Vreemdelingencirculaire) werd de indruk gewekt dat als de vreemdeling gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over zijn reis had afgelegd, dit voor het bestuursorgaan aanleiding zou kunnen zijn hem het ontbreken van reisdocumenten niet toe te rekenen. Niets lijkt minder waar.

Uit de uitspraken van de Afdeling van 8 april 2008 en van 13 mei 2008 wordt duidelijk dat als een vreemdeling gedetailleerde en verifieerbare verklaringen aflegt over zijn reis, hij daarmee nog niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van reisdocumenten hem niet kan worden toegerekend.[13] Dus de omstandigheid dat een asielzoeker zijn reisdocumenten aan de reisagent afstaat zonder dat gebleken is van dwang, dan wel zijn reispapieren weggooit of verscheurt, blijft hem te verwijten. De vraag of de asielzoeker al dan niet gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over zijn reis heeft afgelegd, doet niet (meer) ter zake.[14] Hij kan het geconstateerde ‘gebrek’ niet meer op een ander vlak herstellen.

In dit verband lijkt een door een asielzoeker – met het oog op de in artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2004/83/EG (Definitierichtlijn) neergelegde samenwerkingsplicht – tot het bestuursorgaan gericht verzoek om zijn verklaringen over de reis te verifiëren, evenmin succesvol.[15]

En andersom: Kan het bestuursorgaan nog aan de vreemdeling tegenwerpen dat hij geen gedetailleerde en verifieerbare verklaringen heeft afgelegd over de reisroute als wel aannemelijk wordt geacht dat de vreemdeling geen reisdocumenten kan overleggen?
Nee, dat kan niet. In ieder geval niet onder het oude beleid. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2008 volgt dat het (toen geldende) beleid van het bestuursorgaan de verklaringen over de reis slechts van belang kunnen zijn of worden als eerst is vastgesteld dat sprake is van het toerekenbaar niet overleggen van reisdocumenten. Enkel in dat geval kunnen gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over de reisroute aanleiding geven de vreemdeling toch niet tegen te werpen dat hij geen reisdocumenten heeft overgelegd. De desbetreffende beleidsregel heeft derhalve geen betekenis indien reeds is vastgesteld dat het niet overleggen van reisdocumenten niet is toe te rekenen, zo oordeelt de Afdeling.[16]

Wellicht is nog de vraag of met het huidige beleid, zoals neergelegd in paragraaf C2/6.2.3 van de Vc 2000, een wijziging is beoogd doordat hierin is bepaald dat het ontbreken van documenten niet wordt toegerekend als de vreemdeling over zijn identiteit, nationaliteit, reisroute en asielrelaas en over het ontbreken van documenten consistente, geloofwaardige, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen heeft afgelegd. Het lijkt me niet waarschijnlijk dat hiermee een beleidswijziging is beoogd. Het zou naar mijn mening ook niet logisch en redelijk zijn om een asielzoeker, die wel het door hem gebruikte paspoort overlegt en daarmee zijn reis onderbouwt, toch het ontbreken van reisdocumenten toe te rekenen als deze niet meer precies weet op welk tijdstip het vliegtuig is vertrokken en wat de kleur van de kleding van de stewardessen was. Evenmin in het geval deze asielzoeker zijn paspoort heeft afgestaan aan de reisagent en hij aannemelijk maakt dat dit onder dwang is gebeurd. Weliswaar kan hij zijn (gestelde) reis en identiteit en nationaliteit dan niet meer met dit document onderbouwen, maar feit blijft dat het ontbreken van dit document hem naar de letter van de wet (lees: artikel 31 lid 2 f van de Vw 2000) niet is toe te rekenen. Ter illustratie zij verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 14 maart 2007 (AWB 06/28890), waarin werd overwogen dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid aan de vreemdeling kon tegenwerpen dat van diens relaas positieve overtuigingskracht diende uit te gaan, nu ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan de vreemdeling was tegengeworpen dat hij geen gedetailleerde verklaringen had afgelegd over zijn reisroute, terwijl het ontbreken documenten in zijn geheel niet was tegengeworpen. Volgens de rechtbank had het bestuursorgaan hiermee een onjuiste invulling gegeven aan voormeld artikel gelet op de inhoud van deze wettelijke bepaling.

Kunnen de door de asielzoeker afgelegde verklaringen over de reis dan nooit een rol van betekenis spelen? Niet als het bestuursorgaan zoals thans veelal nog te doen gebruikelijk is in het besluit eerst blijft overwegen dat het ontbreken van bepaalde documenten aan de vreemdeling is toe te rekenen en daarnaast nog opmerkt dat deze vreemdeling weinig gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over zijn reis heeft afgelegd. Een en ander zou in mijn optiek anders komen te liggen als het bestuursorgaan de vage verklaringen over de reis meeweegt in de beoordeling of de vreemdeling aannemelijke verklaringen heeft afgelegd over het ontbreken van voor de beoordeling van diens aanvraag noodzakelijk geachte documenten. Als namelijk vraagtekens zijn te plaatsten bij de door de vreemdeling gestelde reisroute, worden de verklaringen voor het ontbreken van documenten er niet aannemelijker op.

Hoe het ook zij, helder is dat als zowel sprake is van het aan een vreemdeling toe te rekenen ontbreken van bepaalde documenten als van het onvoldoende verstrekken van gedetailleerde en verifieerbare gegevens over de reis, het er voor de vreemdeling niet beter op maakt. Regelmatig ziet men dat vreemdelingen aanvoeren dat zij vanwege de manier waarop zij zijn gereisd of door hun leeftijd, dan wel vanwege hun analfabetisme of onbekendheid met het westerse schrift, weinig kunnen vertellen over de reis. Nog daargelaten dat de vraag of de vreemdeling gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd niet meer relevant is en die stellingen slechts een verklaring proberen te geven waarom de vreemdeling niet gedetailleerd kan verklaren, vormen zij op zichzelf vaak geen afdoende verklaring voor het feit dat de vreemdeling weinig informatie kan verstrekken. Ook ten aanzien van reizen in afgesloten ruimtes, zoals in de laadruimte van een vrachtwagen of de machinekamer van een schip, wordt meestal aangenomen dat zaken moeten zijn waargenomen.[17] Daarnaast wordt de vreemdeling tegengeworpen dat slechts is verzocht om eenvoudige informatie te verstrekken waar men niet voor gestudeerd hoeft te hebben.[18]

Kan aan een minderjarige vreemdeling, die afhankelijk is van de reisagent, het ontbreken van documenten worden tegengeworpen?
Ja. Dat kan. Het is sowieso vaste rechtspraak van de Afdeling dat de gestelde afhankelijkheid van de reisagent niet kan afdoen aan de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling voor de onderbouwing – waar mogelijk – van het reis- en asielrelaas.[19] In haar uitspraak van 29 december 2008 overwoog de Afdeling, dat de omstandigheid dat de vreemdeling ten tijde van zijn reis minderjarig was in dat geval, mede gelet op zijn leeftijd van veertien jaar bij inreis, geen grond bood voor het oordeel dat het ontbreken van reisdocumenten niet aan hem mocht worden toegerekend.[20] In een uitspraak van later datum werd geoordeeld, dat in het beleid inzake het toerekenbaar ontbreken van documenten geen uitzondering wordt gemaakt voor minderjarige asielzoekers. Volgens de Afdeling sluit dat niet uit dat een asielzoeker aannemelijk maakt dat hem niet is toe te rekenen dat hij van belang zijnde documenten in Nederland is kwijtgeraakt. De enkele omstandigheid dat de vreemdeling bij binnenkomst in Nederland veertien jaar oud was, is evenwel onvoldoende om het verlies van de hem nadien toegezonden originele taskera (Afghaans identiteitsdocument) niet aan hem toe te rekenen, aldus de Afdeling.[21]

Enkel de minderjarige leeftijd lijkt onvoldoende om het ontbreken van documenten verschoonbaar te achten. Toch is het niet ondenkbaar dat de zeer jeugdige leeftijd van een asielzoeker samen met andere omstandigheden maakt dat het ontbreken van documenten niet in redelijkheid aan die betreffende asielzoeker kan worden tegengeworpen.

Wanneer is sprake van een cirkelredenering?
Ofschoon het verleidelijk kan zijn voor het bestuursorgaan om bij het toerekenbaar ontbreken van documenten eenvoudig te verwijzen naar de conclusie dat het asielrelaas ongeloofwaardig is bevonden – immers als het relaas ongeloofwaardig is dan valt ook niet in te zien dat iemand is moeten vluchten, illegaal heeft moeten reizen en geen tijd of gelegenheid heeft gehad om documenten mee te nemen – is dit niet toegestaan. De vraag naar de toerekenbaarheid van het ontbreken van documenten en de vraag of een relaas positieve overtuigingskracht bezit, vergt een zelfstandige beoordeling, los van elkaar. Dit betekent niet dat het het bestuursorgaan niet is toegestaan bepaalde argumenten ter onderbouwing van het standpunt dat het asielrelaas ongeloofwaardig is, niet tevens ten grondslag te leggen aan de conclusie dat het ontbreken van documenten aan de vreemdeling is toe te rekenen.

De vraag naar het al dan niet toerekenbaar ontbreken van documenten is een zelfstandige beoordeling die voorafgaat aan de inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas. Ook de Afdeling oordeelde in haar uitspraak van 17 april 2003 dat de rechter eerst moet stilstaan bij het standpunt van het bestuursorgaan over het toerekenbaar ontbreken van documenten alvorens het oordeel van het bestuursorgaan over de geloofwaardigheid van het relaas te toetsen. Doet de rechter dit niet, dan miskent hij daarmee de betekenis van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000.[22]

De Afdeling oordeelde in haar uitspraak van 21 juni 2010, dat in die zaak sprake was van een cirkelredenering, omdat het bestuursorgaan zijn conclusie dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert louter had gebaseerd op de omstandigheid dat de vreemdeling vals bevonden documenten aangaande zijn identiteit en nationaliteit had overgelegd. De Afdeling geeft daarbij aan dat uit haar rechtspraak volgt dat het bestuursorgaan bij de beoordeling of van het asielrelaas positieve overtuigingskracht uitgaat, niet opnieuw en uitsluitend een in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 genoemde omstandigheid, zoals in dat geval het overleggen van valse documenten en het door de vreemdeling volhouden dat deze echt zijn, kan tegenwerpen.[23] Dit lijkt me logisch omdat de in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 genoemde omstandigheden mede worden betrokken bij het onderzoek van de asielaanvraag en geen zelfstandige afwijzingsgrond vormen.

In een andere zaak oordeelde de Afdeling echter dat het bestuursorgaan zich in redelijkheid op het standpunt had kunnen stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat zijn identiteits- en nationaliteitsdocumenten door brand verloren waren gegaan. Dat de motivering van dit standpunt in het besluit was opgenomen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas, maakte volgens de Afdeling niet dat sprake was van een cirkelredenering. De beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas was namelijk als zodanig op deze wijze niet ten grondslag gelegd aan het oordeel van het bestuursorgaan over de toerekenbaarheid van het ontbreken van documenten, omdat het bestuursorgaan de geloofwaardigheid van de gestelde brand los van de andere aan het oordeel over het asielrelaas ten grondslag gelegde omstandigheden had gemotiveerd. Dat dezelfde verklaringen, zowel aan het tegenwerpen van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 als aan het oordeel over het asielrelaas ten grondslag waren gelegd, maakte dat niet anders, aldus de Afdeling.[24]

In weer een andere zaak klaagde het bestuursorgaan met succes dat de rechtbank ten onrechte had overwogen dat de toerekening aan de vreemdeling van het ontbreken van documenten berustte op een cirkelredenering. De rechtbank had aldus de Afdeling miskend dat het bestuursorgaan zijn standpunt hieromtrent niet louter met een verwijzing naar de overwegingen met betrekking tot de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas had gemotiveerd, doch tevens op andere overwegingen.[25]

Tot wanneer kan de vreemdeling nog documenten overleggen in het kader van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000?
Tot in beroep, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2013.[26] Volgens de Afdeling heeft de wetgever met de aanpassing van artikel 83 van de Vw 2000 beoogd mogelijk te maken dat een rechtbank rekening houdt met alle feiten en omstandigheden die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de afwijzing van een asielaanvraag, ongeacht of een vreemdeling deze in de bestuurlijke fase of in beroep aanvoert. Dit artikel vormt derhalve, aldus de Afdeling, een nuancering van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, artikel 3.111, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en artikel 3.45 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, die een vreemdeling ertoe verplichten feiten en omstandigheden in de bestuurlijke fase aan te voeren

In haar uitspraak van 27 december 2011, toen het aangepaste artikel 83 van de Vw 2000 al gold, had de Afdeling evenwel nog geoordeeld dat de vreemdeling dergelijke documenten uiterlijk in de fase van de bestuurlijke besluitvorming naar voren moest brengen.[27]
Afijn, de Afdeling heeft van deze lijn dus afstand genomen.

Voor rechtbanken staat overigens nog altijd de mogelijk open om met in beroep namens de vreemdeling overgelegde documenten geen rekening te houden voor zover de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.[28] Echter, met het oog op het streven naar finale geschilbeslechting en het korte tijdsbestek dat een asielzoeker soms heeft om nog documenten uit het land van herkomst te bemachtigen, zou naar mijn persoonlijke mening van die mogelijkheid geen, althans zo min mogelijk, gebruik moeten worden gemaakt.

mr. A.A.M.J. Smulders[29],
Augustus 2013

[1] Zie ook AbRS 14 oktober 2011, LJN: BU1278. In die zaak had de vreemdeling betoogd dat zij het paspoort in Turkije had afgestaan aan de reisagent omdat zij dacht het niet meer nodig te hebben voor haar asielaanvraag, omdat zij al haar aandacht nodig had voor haar dochter en omdat zij vreesde niet verder te kunnen reizen aangezien zij geheel afhankelijk was van de reisagent. De vreemdeling had in Turkije geen asiel aangevraagd uit angst te worden teruggestuurd. De Afdeling overweegt dat het in het beleid inzake de toerekenbaarheid voor de afgifte van reisdocumenten alleen gaat om de vraag of sprake is van dwang en niet om de vraag naar de beschermingsmogelijkheden van het land waar de afgifte heeft plaatsgevonden.
[2] AbRS 14 mei 2013, LJN: CA0603, rechtsoverwegingen 5.1 en 5.2.
[3] AbRS 27 januari 2003, LJN: AF5566, rechtsoverwegingen 2.4.4 en 2.4.5.
[4] AbRS 24 maart 2005, LJN: AT3207 en JV 2005, 191.
[5] AbRS 23 april 2003, LJN: AH8886.
[6] Uit AbRS 27 november 2003, LJN: AN9770, wordt wel duidelijk dat het bestuursorgaan de toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw2000 niet kan betrekken bij de beoordeling of, uitgaande van de door de vreemdeling gestelde feiten, de conclusie gerechtvaardigd is dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
[7] AbRS 14 juni 2012, LJN: BW9121. Zo ook AbRS
23 november 2006, LJN: AZ4441 (Tegenwerpen ontbreken documenten mag ook als identiteit eerder al is vastgesteld) en AbRS 21 december 2011, zaak nr. 201101454/1/V1 (De omstandigheid dat de identiteit van de vreemdeling niet in twijfel is getrokken, kan niet leiden tot het oordeel dat de minister het ontbreken van nationaliteits- en identiteitsdocumenten ten onrechte aan de vreemdeling heeft tegengeworpen).
[8] AbRS 10 oktober 2003, LJN: AN9493 en JV 2003/539.
[9] AbRS 23 oktober 2005, LJN: AN9502 en JV 2003/552.
[10] AbRS 31 oktober 2002, LJN: AF9722 en JV 2003/2.
[11] AbRS 5 november 2002, LJN: AL6157 en JV 2003/8.
[12] AbRS 23 april 2003, LJN: AH8886.
[13] AbRS 8 april 2008, LJN: BC9690, en AbRS 13 mei 2008, LJN: BD8565.
[14] AbRS 29 december 2008, LJN: BG9599 (Met het afleggen van gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over de reis is op zichzelf nog niet aannemelijk gemaakt dat het afgeven van reisdocumenten aan de reisagent de desbetreffende vreemdeling niet kan worden toegerekend. Daarvan is eerst sprake is als de documenten onder dwang zijn afgegeven). Zie tevens AbRS 10 oktober 2003, LJN: AN9493 (Het bestuursorgaan hoefde in het feit dat de vreemdeling wel de kleuren van het vliegtuig en van de uniformen van het vliegtuigpersoneel alsmede de stoelindeling heeft geven, geen aanleiding te zien het ontbreken van documenten ter vaststelling van de reis niet toe te rekenen).
[15] Voorzieningenrechter ’s-Hertogenbosch 4 december 2012, LJN: BY5413. Hierin wordt overwogen dat, nu de vreemdeling zijn reisdocumenten stelt te hebben afgestaan aan de reisagent, het bestuursorgaan het niet in zijn macht heeft om alsnog in het bezit te komen van die documenten, laat staan deze te laten onderzoeken. Daar komt bij dat zelfs in het geval het bestuursorgaan de verklaringen over de reisroute zou hebben gecontroleerd en tot de conclusie zou zijn gekomen dat die reisgegevens kloppen, daarmee nog niet is gezegd dat de vreemdeling die reis daadwerkelijk heeft afgelegd en daarmee een verklaring heeft gegeven waarom het niet aan het is toe te rekenen dat zij zijn reisdocumenten aan de reisagent heeft afgestaan, aldus de voorzieningenrechter.
[16] AbRS 25 april 2008, LJN: BD1536.
[17] AbRS 30 maart 2007, LJN: BA2729. In die zaak oordeelde de Afdeling dat het bestuursorgaan de verklaring van de vreemdeling voor het ontbreken van informatie, namelijk dat hij via een touwladder aan boord is geklommen en niets van het schip heeft gezien en hij voorzichtig moest zijn om ontdekking te voorkomen, niet afdoende had kunnen achten, nu aangenomen mag worden dat het schip, dan wel de haven voldoende verlicht was bij het aan en van boord gaan en de vreemdeling niet enkel in zijn hut had verbleven, maar ook daarbuiten was geweest om zijn benen te strekken.
[18] AbRS 8 augustus 2003, LJN: AI5620 (Analfabetisme); AbRS 2 december 2004, LJN: AS7899 (Eenvoudige informatie, leeftijd en ontwikkelingsniveau); AbRS 3 november 2005, LJN: AU5891 (Westerse schrift niet machtig); AbRS 1 augustus 2006, LJN: AY6792 (Ook van kinderen mag worden verwacht dat ze meer kunnen vertellen over bijzonderheden en indrukken die tijdens de reis zijn waargenomen en opgedaan); AbRS 21 maart 2013, LJN:BZ5226 (Van de vreemdeling mag worden verwacht dat zij, ondanks haar leeftijd en haar geringe opleiding en reiservaring, concrete en consistente informatie kan geven over dergelijke eenvoudige onderwerpen die de reis betreffen die zij stelt te hebben gemaakt.).
[19] Onder meer AbRS 28 december 2001, LJN: AD9771, en AbRS 24 februari 2005, LJN: AS8536.
[20] AbRS 29 december 2008, LJN: BG9599, rechtsoverweging 2.2.2. Tevens AbRS 11 februari 2008, LJN: BC4729, waar het een vreemdeling betrof die nagenoeg meerderjarig was en, zoals zij stelde, tijdens de reis door een bekende werd begeleid.
[21] AbRS 21 december 2011, LJN: BU9575.
[22] AbRS 17 april 2003, LJN: AF9542.
[23] AbRS 21 juni 2010, LJN: BM9328.
[24] AbRS 6 augustus 2004. LJN: AQ7418.
[25] AbRS 1 december 2005, LJN: AU7898.
[26] AbRS 21 juni 2013, zaak nr. 201200687/1/V2, ECLI:NL:RVS:2013:36.
[27] AbRS 27 december 2011, LJN: BV0404. Zie ook JV 2012/95 waar prof. mr. T. Spijkerboer in zijn noot opmerkt dat artikel 83 van de Vw 200 is gewijzigd bij wet van 20 mei 2010, welke in werking is getreden op 1 juli 2010, en onmiddellijke werking heeft. De rechtbank had op 29 juni 2011 uitspraak gedaan, zodat de nieuwe tekst van artikel 83 toepasselijk was.
[28] Zie het derde lid van artikel 83 van de Vw 2000. Verder geeft artikel 8:58 van de Awb een begrenzing doordat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen.
[29] A.A.M.J. (Stijn) Smulders is stafjurist bij de rechtbank Oost-Brabant en houdt zich voornamelijk bezig met het rechtsgebied asiel. Notities, zoals deze, worden door hem geschreven om rechters en juridische ondersteuning behulpzaam te zijn bij hun werkzaamheden. Zij zijn enkel bedoeld als overzicht, richtsnoer en/of discussiestuk en binden rechters op geen enkele wijze. Derden kunnen hieraan dan ook geen rechten ontlenen.